Skyspace

Niet hoe de wereld is, is het mystieke, maar dat zij is.

(Ludwig Wittgenstein)

 Elke zondagochtend zagen wij als gezin hoe een optocht van auto’s het gras kapot reed onder de hoge beuken tegenover ons huis. Een licht gevoel van nijd kon me overvallen, wanneer ik als puber op zondagochtend vanuit mijn slaapkamerraam deze kerkgangers beschouwde, die doelbewust uit hun auto’s leken te stappen en de kerkdienst bezochten aan het einde van de laan waar ik woonde. Het pad naar de mooie Nederlands Hervormde Stefanuskerk met de puntige toren die bekroond werd met een haantje, liep licht omhoog, waardoor de kerk majestueus uittorende boven de mensen die hem bezochten. Soms vroeg ik me als toeschouwer af of al die mensen werkelijk in God geloofden en daar een beter mens door werden. Ik voelde ook afgunst. Dat ze hun religie omarmden en dat die antwoord gaf op al hun vragen, de fundamentele vragen waar ik ook mee worstelde, als puber en later als adolescent. Dat ze regelmatig samen kwamen op een plek, waar ze wellicht gezamenlijk hun gedachten konden ordenen onder toeziend oog van een hogere macht. Mij leek dat toen wel wat.

Op die mooie kerk hadden we het beste uitzicht als we de laan waar we woonden van de andere kant in reden. Zo werd hij ook gewaardeerd door onze ouders: als een prachtig gotisch bouwwerk uit de 14e-16e eeuw. Niet als een huis van God, waar mensen antwoorden leken te vinden op hun vragen, maar als een sluitstuk van onze rustieke laan waar wij goed zicht op hadden.

Er schijnt bij jonge mensen een grote behoefte te zijn aan een collectief verhaal, dat verbindt en antwoorden kan bieden op existentiële vragen. In alle verscheidenheid en drukte die we tegenwoordig tegenkomen in de wereld, worden we geconfronteerd met onszelf en met de ander. Dat roept vragen op. Hoe verhouden we ons tot elkaar? Hoe verhouden we ons tot onze kwetsbaarheid, tot onze moedeloosheid ten aanzien van al die verscheidenheid en drukte die op ons af komt? Mijn verlangen naar een remedie om die wereld werkelijk te kunnen aanschouwen en te beleven, doet me graven in een beperkt religieus verleden en zoeken naar een oriëntatiekader.

Ik reken mezelf tot de generatie die meende het bestaan te kunnen doorgronden, de generatie met ouders die vruchten plukten van de enorme groei van de laatste decennia, die ook economische malaise kenden, de generatie die opgroeide met weten, kennis, vanzelfsprekendheden en hedonisme en ook met zoeken, met vragen, met egocentrisme en materialisme en met een grote existentiële angst voor de dood, voor het “nog niet genoeg”. De generatie na mijn ouders – die al waren begonnen met afscheid nemen van belangrijke christelijke waarden en tradities – verbrak in de jaren zeventig en tachtig voorgoed de banden met de kerk en met de tradities die eeuwenlang een bron van troost, zin en betekenis hadden geboden tegenover kwetsbaarheid en vragen en tegenover de eindigheid van het leven.

De Stefanuskerk wordt inmiddels niet meer bezocht door kerkgangers, ontdekte ik onlangs, maar door kunstminnende mensen tijdens concerten of tijdens Het Feest van de Geest, een happening die elk jaar in mei op meerdere plekken in Nederland georganiseerd wordt. Kerken worden dan een plek waar kunstenaars hun werk laten zien rond een thema. In zo’n kerk kan kunst betekenis krijgen door mensen een gezamenlijke ervaring te bieden en het gekozen (spirituele) thema van dat jaar verbeeld te zien. Er is zoveel lijden in deze wereld dat een dergelijk houvast gewenst lijkt. Kunst toont vaak de schoonheid van onze beperkingen en onvermogen, en de rauwheid ervan.

Door de tentoonstelling “Stage of being” in museum Voorlinden in Wassenaar, die ik bezocht, werd dat bevestigd. De presentatie in Voorlinden start met een imposant schilderij van Robert Zandvliet. Het schilderij lijkt een menselijk silhouet te tonen in een gelaagd landschap. In het schilderij zie ik een eenzame mens, maar ook twee figuren die zich tot elkaar verhouden….twee gezichten? Misschien is dat de essentie van onze zoektocht, dacht ik, de constatering dat de mens die onontkoombaar alleen is, de optimale verhouding tot de ander zoekt en deze maar al te vaak niet kan vinden, de zoektocht naar onze relatie tot de wereld. Ik las in de introductietekst van de expositie: “Het wezen van de kunst is misschien wel het bezweren van de existentiële menselijke angst. Kunst kan de mens een spiegel voorhouden, soms rechtstreeks, rauw en confronterend. Soms indirect, subtiel verpakt ons aanzetten tot nadenken over wie we zijn en wie we zijn in onze relatie tot anderen. De vragen: Waar komen we vandaan? Wat doen we hier en waar gaan we naartoe?”

Sommige beelden waren overweldigend. Ik had me even afgezonderd om die beelden te verwerken. Zo was ik – onbewust – beland bij de zogenaamde highlights van het museum. Het meeste indruk maakte op mij Skyspace. Speciaal voor Museum Voorlinden ontwierp James Turrell deze ruimte met een vierkant gat in het dak, waardoor je recht naar boven kijkt, naar de lucht, the sky… Ik ging er zitten op de houten bankjes rondom. Aanvankelijk met gesloten ogen. Maar het vierkant gat in het dak trok me uit mijn mijmering. Het hout contrasteerde met het blauw van de lucht. Het vierkant bood rust aan de ruimte en bood zicht op buiten en de steeds veranderende hemel. Dat alles omvattende gewelf dat normaliter altijd vanzelfsprekend aanwezig was, was nu ingekaderd. Het besloten moment bood tijd, buiten de tijd om.

Samen met nog enkele mensen zat ik daar en door de gedeelde ervaring ervoer ik een sterke verbondenheid. We keken allemaal naar boven, in de stilte, naar de omlijste lucht, die opeens bijzonder was, licht en helder. Ik voelde me door het gat gezogen en even, terwijl ik mijn ogen sloot, leek het of ik door de ruimte zweefde, het eindeloze blauwwit in. Het was een ervaring die me zomaar overkwam. En later, weer terug in het intieme, mooie museum, moest ik bijkomen en vooral weer terug komen in een andere tijd, een tijd die realistisch was, waarin ik mezelf de vraag stelde: Hoe een regenbui deze ervaring had kunnen veranderen, en of er dan een luik voor het gat zou verschijnen?

Betekenis zoeken in dagelijkse dingen is van alle tijden. We zoeken houvast in rituelen, in terugkerende momenten van verbondenheid, die we overigens zelf kunnen creëren. Dat we op zoek gaan naar tegenwicht, in deze hectische wereld, is niet zo gek. Dat ik blij kan zijn met mijn eerste kopje koffie op een vrije dag, dat ik ontroerd kan zijn door het licht van de zon dat over de muur sprankelt in mijn woonkamer, dat ik geniet van de geur in het bos na een regenbui, dat ik houd van de roman, die zo knap geschreven is dat hij mij helemaal “opneemt”, dat de vragen soms antwoorden bieden waar ik ze niet verwacht, lijkt amper genoeg.

We zoeken een zinvolle dagbesteding en vinden voldoening in (vrijwilligers)werk wat er toe doet, in moeilijke klussen die erkenning bieden – waar we niet altijd ‘zin’ in hebben. We verliezen ons soms in teveel en vinden dan ontspanning in een vrijetijdsbesteding: sport, wandelen in de natuur, yoga op een matje, meditatie op een kussen, gebed op een kleedje of een bankje, koken in groepsverband, knutselen, klussen aan ons huis. We zoeken voldoening in het creëren: zingen, fotograferen, muziek maken, bakken en schilderen. We zoeken afleiding in sociale media, in de beeldendrukte op het net, in informatie die in grote stromen op ons af komt, in onze selfies, in de verheerlijking van ons leven. “Het lijkt een merkwaardig verschijnsel dat de zinsvraag zo onuitroeibaar opspeelt in onze geseculariseerde wereld. De dreigende zinloosheid van het leven sijpelt door de kieren van het zelfgenoegzame leven”, zegt Dirk de Wachter.[1] De moderne mens zoekt tevergeefs een soelaas voor zijn menselijk tekort en zijn onvermogen om dat tekort te accepteren, lijkt de kern van zijn boodschap. We zoeken houvast en vallen om.

Om ons te oriënteren op existentiële vragen, zegt Taylor[2], hebben we oriëntatiekaders nodig. Taylor heeft het over “visies van het goede.” Cultureel gewortelde beelden van een goed – rechtvaardig, waardig vervuld of zinvol- leven: zij kunnen de toetssteen vormen voor ons handelen. Volgens Taylor heeft de spiritualiteit van vandaag de dag iets te maken met streven naar of oriëntatie op het ultieme goede. In het boek van Taylor lees ik een citaat van Vaclav Havel, die terwijl hij in de gevangenis zit, een moment van openbaring beschrijft, waarin hij een gevoel van verzoening ervaart, een “duizelingwekkende gewaarwording.“(…)Onder ogen zien wat onder ogen moet worden gezien, hoe ik de vreugde ervaar over een ultiem in harmonie zijn met de wereld, met mezelf, met het moment. En dat ik kan leven met het onzichtbare, dat erachter ligt en dat betekenis heeft, maar dat we niet of vaag kunnen benoemen (…).”

Zijn gevoel van verzoening, kennelijk opgeroepen door een langdurige opsluiting, waarbij er nauwelijks impulsen waren en voldoende stilte en ruimte voor reflectie, roept iets van tijdloosheid op. Voortbordurend op deze ervaring van Havel, herken ik een moment van “volledig ervaren”. Een ervaring van tijdloosheid kan immers worden ingegeven door stilte. We ervaren iets volledig als onze zintuigen allemaal aan staan, als we aanwezig zijn. Het volledig ervaren roept dan bijna vanzelfsprekend het lastig benoembare op. Zo’n ervaring kan vernieuwing bieden, verwondering en vragen oproepen.

Om zicht te krijgen en te houden op de zin van die mens van vlees en bloed met al zijn dromen, zijn angsten, zijn verlangens en teleurstellingen, moeten we misschien op zoek naar een nieuwe vorm van gemeenschap waar we elkaar de hand kunnen reiken. Het zou wel eens één van onze urgentste doelen kunnen zijn: ons te leren verbinden aan de menselijkheid en die menselijkheid te leren zien, want al het menselijke om ons heen vraagt vrijwel dagelijks om gezien te worden. De Wachter, die zich baseert op Levinas, verwoordt dit als volgt:“En daarbij mogen we niet vergeten om te zien naar De Ander. De Ander vertoont mijn schijnbare gemoedsrust en deze lastigheid zet mij aan tot antwoord. In die verantwoording verschijnt de zin”.

Ik leer mijn studenten op de opleiding Sociaal Werk, die mensen tegen komen die in al hun kwetsbaarheid gedesoriënteerd zijn, het belang van verbinding. Ik kan constateren dat het noodzakelijk is om verbinding te zoeken en om dat zo te doen, dat ze leren omgaan met kwetsbare mensen en met zichzelf als een net zo kwetsbaar mens. Dat ze daarmee misschien een tevreden verhouding leren te vinden tot de kwetsbaarheid van het bestaan. In deze wens constateer ik evenzo dat we “onhandige modderaars” zijn. We zullen moeten leren leven met onze eigen beperking en met die van de ander.

In mijn zoektocht naar zin ben ik mezelf – voorzichtig – een spiritueel humanist gaan noemen. Iemand die gelooft in de menselijkheid en zoekt naar ‘het goede’ in zijn reacties op de wereld. Een mens die de mogelijkheid vindt en zoekt om te ontsnappen aan het dagelijkse door vertraagde tijd te vinden in kunst, in stilte en in natuur. Een mens die verwondering en verbinding vindt in betekenisvolle momenten, in het licht van het ‘grootste’ geheel. Een mens met een bescheiden vraag, in navolging van Montaigne, de eerste denker die zichzelf in zijn essays als onderwerp nam, en het ooit zei: “Wat weet ik?”

[1] De wereld van de Wachter door Dirk de Wachter (2016)

[2] Een seculiere tijd: geloof en ongeloof in de wereld van nu door Charles Taylor, Rotterdam (2009)

Reacties zijn gesloten.