Vergankelijk

Elk blad valt anders. In een niet te voorzeggen tel.

God, het is herfst, ze komen vroeg of laat

dus allemaal aan bod. Maar welke het eerst en hoe?

Doet dat ertoe, bijvoorbeeld voor de bomen zelf?

Nu de temperatuur zakt, word ik overvallen door een verlangen naar oktober, de maand waarin ik een jaar ouder word en het definitieve afscheid van een lange zomer zijn intrede doet. De maand waarin de bomen kleuren, de dagen vochtig geuren en de bladeren vallen en waarin ik me van oudsher graag wentel in herinneringen en trage gedachten over het heden of verleden. Ik lees  in de krant een versje (Oktoberversje)  gemaakt door Désanne van Brederode, hierboven de eerste strofe. Mijn gedachten over die daadwerkelijke herfst worden ingegeven door deze woorden.

De (jonge) mensen die ik spreek, via mijn kinderen of mijn werk, confronteren me voortdurend en laten me stil staan bij het pad dat wordt bewandeld, dat afbuigt, als je er niet op bedacht bent, dat daalt, klimt of kronkelt langs de plekken die we vergeten of willen vergeten, langs de schoonheid die verzwakt, of verkleurt, langs de plekken die we bewaren of koesteren, waarna we het pad vervolgen voor we er vat op krijgen, dat stemt melancholisch.

Op een symposium vorige week ontmoette ik een vakantievriendje van mijn zus, van 40 jaar geleden, die me diezelfde nacht wakker laat liggen. Wie was ik toen en wie ben ik nu? Welke keuzes maakte ik? Wat heb ik geleerd en wat heb ik nog te leren? En dan is er het ophangen van de foto. Het lijkt een daad van bevestiging. Ik hang hem aan de muur in mijn woonkamer. De kleine zwart-witte foto van mijn moeder, die deze dagen steeds weer mij naar zich toe trekt, tot ik hem even in mijn handen neem en er naar blijf kijken totdat mijn ogen pijn doen. In haar witte verpleegstersuniform, zit ze op een krukje ergens buiten. Ze oogt jong, mooi en sterk en kijkt vragend de camera in, haar mond in beweging, alsof ze iets wil zeggen. Achter haar schijnt het licht door de bomen, die niet helemaal kaal zijn en ook niet dicht bebladerd. Het zal lente zijn, vermoedelijk, want haar armen lijken gebruind in de korte mouwtjes van haar jurk. Haar smalle taille wordt geaccentueerd door de jurk en ik herken in haar ranke polsen die leunen op het bankje, die van me zelf. Het is een hoopvolle foto en hij roept vragen op. Wie neemt de foto? Met wie was ze daar. Kende ze mijn vader al? Wat maakte haar daar zo gelukkig? Wie was mijn moeder toen?

Ik weet niet wie ze was, ik weet niet meer wie ze was voor ze werd wie ze nu is, ik weet niet meer wie ze nu is. Ik vraag me af of ik haar ooit heb gekend. De foto troost me. Dat het leven haar heeft toegelachen, dat ze toen niet wist hoe haar blad zou vallen. Dat ze mooier was, dan ze zelf wist en dat ik haar leer kennen door haar in te vullen.

Mijn moeder is dement. Haar ziekte nadert een eindpunt. Ze heeft al meer dan 10 jaar Alzheimer. Haar blik is leeg. Haar handen zijn gerimpeld en gevlekt. Haar buik is dik en met een goedlachs ingevallen kindergezichtje met een lege blik pakt ze mijn hand als ik aan haar denk.

En dat er kracht was, voor alle broosheid, op het pad dat er al lag, dat doet er toe.

 

Reacties zijn gesloten.