Tweeling

Ik had haar 10 minuten eerder met mijn kleine zachte babyvoetjes uit de baarmoeder getrapt. Haar hoofdje was licht afgeplat en ik eiste op die manier mijn ruimte op en kwam in stuitligging ter wereld.

Een zwangerschap bood nog verrassingen in de jaren 60.Toen mijn moeder in het kraambed lag, en mijn zusje was geboren, constateerde de arts die mijn moeder bij haar bevalling begeleidde, dat er nog een kindje in haar buik zat. Mijn zoektocht begon in de baarmoeder. En 10 minuten nadat mijn zusje ter wereld kwam, werd ik volkomen onverwachts geboren. Mijn moeder die al een baby van een jaar had (mijn oudste zus) moest zich snel en geschrokken schikken in dit lot, nadat ze ons 9 maanden als één kind gedragen had. Mijn zusje kreeg op 26 oktober 1960 het eerste geboorterecht. Zij lag als eerste in het bedje, dat mijn vader in tweeën deelde met een plankje, waardoor er voor mij ook een plekje werd gemaakt.
Toen we ongeveer een half jaar waren, kroop ik elke nacht over het schotje om dichterbij mijn zusje te zijn, op zoek naar de veiligheid die ik in de baarmoeder had ervaren. Tot dat mijn moeder ons in twee verschillende bedjes legde en die resoluut uit elkaar schoof.

Het was een gekke ervaring. Mijn zusje was een ander en ook dezelfde als ik. We droegen dezelfde kleren in andere kleuren. Ons haar was even onhandelbaar. Onze voorkeur of afkeer voor bepaald voedsel was identiek, ons lichaam was even mollig, onze handjes en beentjes even bruin van het spelen in de zandbak. Onze taal was de eerste 4 jaar vastgelegd in een spel, waar niemand tussenkwam, in een taal die ons een uitzicht bood op de ander, vaak zonder woorden. Op straat en in de zandbak achter ons huis liet ik me leiden door mijn zusjes fantasie. Ik spiegelde mijn handelen aan haar handelen. Ze leerde me lopen, tekenen, fietsen, steppen en praten en beschermde me voor grote honden. Onze geboorterangorde bepaalde ons temperament. In de box streden we om het speelgoed. De wortels voor rivaliteit zijn daar gelegd. We ontwikkelden een gezamenlijk evenwicht dat ongeveer 4 jaar duurde. Op de kleuterschool besloot mijn zusje voor het eerst aan mijn verlangen aan het samenzijn te ontsnappen. Haar voorsprong van 10 minuten uitte zich in een verlangen naar onafhankelijkheid. Die voorsprong liet ik pas veel later achter me. Nog jaren later bleef ik zoeken naar iemand die net zo dichtbij kon komen als mijn zusje in de eerste 4 jaar van mijn leven.

Vroeger las ik en herlas ik Onder moeders vleugels van Louise May Alcot. De zusjes March waren keurig gescheiden naar gelang uiterlijk, temperament en talent. De zussen Meta, Jo, Bets en Amy hadden een magische aantrekkingskracht op me, met name om hun duidelijke bepaling van individuele rollen in het gezin. En om hun zusterschap. Het gevoelsmatige, vanzelfsprekende karakter dat zusterschap kan hebben herkende ik.

Natuurlijk was Jo mijn heldin. De pittige robbedoes met de scherpe tong die haar professor Baehr vond onder een paraplu in de regen….
De ontwikkeling van mijn identiteit, naast die van mijn zussen vormt een belangrijke zwerftocht in mijn leven. Ik werd lichtvoetiger, frivoler, rebelser dan mijn zusje en wilde dat ook graag zijn. Nu kan ik zeggen dat dit voortkwam uit een verlangen om me te onderscheiden van haar.
Mijn wereld leek verloren toen ik na de brugklas een andere school ging bezoeken dan mijn zusje. Het woordje “we” moest ik gaan vervangen door ” ik”. Toch was dit achteraf gezien het beste wat mijn moeder (toen al) met haar heldere blik had gezien. We waren beter af afzonderlijke van elkaar en konden eindelijk onze eigen identiteit ontwikkelen. In de puberteit uitte deze zoektocht zich in een aantrekken en afstoten. Op ons 19e gingen we samen op interrail. Het was onze laatste reis samen. Mijn zus nam de lead en we zagen alle musea in Italië. Haar schetsboek was haar partner. Mijn taal lag toen nog te wachten op mijn tong. Haar tekentalent was een belangrijke richtingsgever.
Het dieptepunt in mijn relatie met mijn tweelingzus volgde in de jaren daarna. Omdat ik mijn taal nog niet gevonden had, wist mijn zus al het slechte in mij naar boven te halen tussen mijn 20e en mijn 28e. Mijn opkijken en haar neerkijken naar mij, mijn rivaliteit en neerbuigende gevoel over mezelf, wilde  ik uitvechten met haar. Gevoed door mislukte liefdesrelaties en therapie stond ik briesend voor haar. En zij begreep er weinig van.
Ik was enorm jaloers op haar. Zij leek me verstandiger, wijzer, intelligenter en artistieker. Als reactie daarop probeerde ik artistiek te zijn in mijn extravagante uiterlijk, mijn rebelsheid, mijn relaties, mijn onvermogen om te vertrouwen op mezelf om op eigen benen te staan. En ik kon het niet uitstaan dat zij het wel leek te kunnen.

Ik heb in de jaren daarna mijn eigen taal gelukkig gevonden. Toch kan ik het levenslange proces van beïnvloeden van elkaars leven nog steeds ervaren. Mijn zusje koos indirect de mannen die een grote rol speelden in mijn leven. Ook de man met wie ik nu al bijna 25 jaar samen ben.
Elk perspectief krijgt zijn charme als je daar iets van leert. Het perspectief van mijn zus was anders. Niet beter dan het mijne, weet ik inmiddels.

Mijn talent voor aanpassen, flexibel invoegen, afstemmen op mensen en een vaak feilloze intuïtie voor sferen en (on)voorspelbare situaties, voor anticiperen op toekomstige gebeurtenissen is uit ons tweelingschap geboren.

Ik houd erg veel van mijn zus. Onze gemeenschappelijke taal vindt zich een weg als wij ons diep verbonden voelen. Meestal behoeft dat geen woorden.

Reacties zijn gesloten.