Tweeling

Ik had haar 10 minuten eerder met mijn kleine zachte babyvoetjes uit de baarmoeder getrapt. Haar hoofdje was licht afgeplat en ik eiste op die manier mijn ruimte op en kwam in stuitligging ter wereld.

Een zwangerschap bood nog verrassingen in de jaren 60.Toen mijn moeder in het kraambed lag, en mijn zusje was geboren, constateerde de arts die mijn moeder bij haar bevalling begeleidde, dat er nog een kindje in haar buik zat. Mijn zoektocht begon in de baarmoeder. En 10 minuten nadat mijn zusje ter wereld kwam, werd ik volkomen onverwachts geboren. Mijn moeder die al een baby van een jaar had (mijn oudste zus) moest zich snel en geschrokken schikken in dit lot, nadat ze ons 9 maanden als één kind gedragen had. Mijn zusje kreeg op 26 oktober 1960 het eerste geboorterecht. Zij lag als eerste in het bedje, dat mijn vader in tweeën deelde met een plankje, waardoor er voor mij ook een plekje werd gemaakt.
Toen we ongeveer een half jaar waren, kroop ik elke nacht over het schotje om dichterbij mijn zusje te zijn, op zoek naar de veiligheid die ik in de baarmoeder had ervaren. Tot dat mijn moeder ons in twee verschillende bedjes legde en die resoluut uit elkaar schoof.

Het was een gekke ervaring. Mijn zusje was een ander en ook dezelfde als ik. We droegen dezelfde kleren in andere kleuren. Ons haar was even onhandelbaar. Onze voorkeur of afkeer voor bepaald voedsel was identiek, ons lichaam was even mollig, onze handjes en beentjes even bruin van het spelen in de zandbak. Onze taal was de eerste 4 jaar vastgelegd in een spel, waar niemand tussenkwam, in een taal die ons een uitzicht bood op de ander, vaak zonder woorden. Op straat en in de zandbak achter ons huis liet ik me leiden door mijn zusjes fantasie. Ik spiegelde mijn handelen aan haar handelen. Ze leerde me lopen, tekenen, fietsen, steppen en praten en beschermde me voor grote honden. Onze geboorterangorde bepaalde ons temperament. In de box streden we om het speelgoed. De wortels voor rivaliteit zijn daar gelegd. We ontwikkelden een gezamenlijk evenwicht dat ongeveer 4 jaar duurde. Op de kleuterschool besloot mijn zusje voor het eerst aan mijn verlangen aan het samenzijn te ontsnappen. Haar voorsprong van 10 minuten uitte zich in een verlangen naar onafhankelijkheid. Die voorsprong liet ik pas veel later achter me. Nog jaren later bleef ik zoeken naar iemand die net zo dichtbij kon komen als mijn zusje in de eerste 4 jaar van mijn leven.

Vroeger las ik en herlas ik Onder moeders vleugels van Louise May Alcot. De zusjes March waren keurig gescheiden naar gelang uiterlijk, temperament en talent. De zussen Meta, Jo, Bets en Amy hadden een magische aantrekkingskracht op me, met name om hun duidelijke bepaling van individuele rollen in het gezin. En om hun zusterschap. Het gevoelsmatige, vanzelfsprekende karakter dat zusterschap kan hebben herkende ik.

Natuurlijk was Jo mijn heldin. De pittige robbedoes met de scherpe tong die haar professor Baehr vond onder een paraplu in de regen….
De ontwikkeling van mijn identiteit, naast die van mijn zussen vormt een belangrijke zwerftocht in mijn leven. Ik werd lichtvoetiger, frivoler, rebelser dan mijn zusje en wilde dat ook graag zijn. Nu kan ik zeggen dat dit voortkwam uit een verlangen om me te onderscheiden van haar.
Mijn wereld leek verloren toen ik na de brugklas een andere school ging bezoeken dan mijn zusje. Het woordje “we” moest ik gaan vervangen door ” ik”. Toch was dit achteraf gezien het beste wat mijn moeder (toen al) met haar heldere blik had gezien. We waren beter af afzonderlijke van elkaar en konden eindelijk onze eigen identiteit ontwikkelen. In de puberteit uitte deze zoektocht zich in een aantrekken en afstoten. Op ons 19e gingen we samen op interrail. Het was onze laatste reis samen. Mijn zus nam de lead en we zagen alle musea in Italië. Haar schetsboek was haar partner. Mijn taal lag toen nog te wachten op mijn tong. Haar tekentalent was een belangrijke richtingsgever.
Het dieptepunt in mijn relatie met mijn tweelingzus volgde in de jaren daarna. Omdat ik mijn taal nog niet gevonden had, wist mijn zus al het slechte in mij naar boven te halen tussen mijn 20e en mijn 28e. Mijn opkijken en haar neerkijken naar mij, mijn rivaliteit en neerbuigende gevoel over mezelf, wilde  ik uitvechten met haar. Gevoed door mislukte liefdesrelaties en therapie stond ik briesend voor haar. En zij begreep er weinig van.
Ik was enorm jaloers op haar. Zij leek me verstandiger, wijzer, intelligenter en artistieker. Als reactie daarop probeerde ik artistiek te zijn in mijn extravagante uiterlijk, mijn rebelsheid, mijn relaties, mijn onvermogen om te vertrouwen op mezelf om op eigen benen te staan. En ik kon het niet uitstaan dat zij het wel leek te kunnen.

Ik heb in de jaren daarna mijn eigen taal gelukkig gevonden. Toch kan ik het levenslange proces van beïnvloeden van elkaars leven nog steeds ervaren. Mijn zusje koos indirect de mannen die een grote rol speelden in mijn leven. Ook de man met wie ik nu al bijna 25 jaar samen ben.
Elk perspectief krijgt zijn charme als je daar iets van leert. Het perspectief van mijn zus was anders. Niet beter dan het mijne, weet ik inmiddels.

Mijn talent voor aanpassen, flexibel invoegen, afstemmen op mensen en een vaak feilloze intuïtie voor sferen en (on)voorspelbare situaties, voor anticiperen op toekomstige gebeurtenissen is uit ons tweelingschap geboren.

Ik houd erg veel van mijn zus. Onze gemeenschappelijke taal vindt zich een weg als wij ons diep verbonden voelen. Meestal behoeft dat geen woorden.

Opmerkelijk

Soms hoef je niet ver te reizen om de wereld te ontmoeten en verrast te worden door onbekende mensen om je heen. Toen ik s ‘avonds mijn bed op zocht, en mijn lief vertelde over de eigenaardige gebeurtenissen van die dag, dacht hij dat ik het ter plekke verzon.

De dag startte al anders.
Een meisjesstem gilde: “Mama, moedertje. Hellup!” Letterlijk in die volgorde.
Mijn moederhart schrok er van.
Ik stapte net onder mijn ochtenddouche vandaan om me af te drogen toen ik buiten die meisjesstem heel hard hoorde gillen.
Aanvankelijk staakte ik mijn afdrogen, het gillen was hard en doordringend.
Het gillen hield aan en ik schoot in mijn badjas en ik vloog enigszins ongerust naar de slaapkamer van mijn zoon, die met erker, een goed uitzicht op de straat bood.
Het gillen kwam van de overkant van de straat. Ik zag een meisje van een jaar of 13 op de straat liggen. Twee auto’s waren gestopt en de automobilisten leken haar te helpen. Ik zag niet wat er precies aan de hand was, het was nog schemerig, maar ik vermoedde dat ze was gevallen of aangereden. Toen ik me, kort daarna, aangekleed naar buiten wilde begeven om hulp aan te bieden, waren de auto’s en het meisje verdwenen. Het was doodstil op straat. En het leek of ik me alles verbeeld had.

Waar ik tijdens mijn overstap naar Utrecht ontdekte ik dat er een trein was uitgevallen, had ik zo maar ineens een kwartier over, waarin ik bij Starbucks in de rij, koffie kreeg aangeboden van een wildvreemd meisje. Ze had lang, rood haar en ze zag er grappig en gelukkig uit. Ze vertelde me, met lichtblauwe, lichtgevende ogen, waarin mijn blik verdween, gebiologeerd als ik was door haar schoonheid en spontane geste, dat ze verliefd was en dus trakteerde. “Deze koffie krijgt u van mij” zei ze…. Ik was overdonderd  en aanvaarde dankbaar en wat verlegen met de situatie,  haar koffie.
Ik stapte later in de trein naar Utrecht en vroeg me verbaasd af wat deze dag me nog meer ging brengen.

Gedurende de rest van de dag werd ik opgenomen door de studiedag die zich aandiende. Ik vergat eigenlijk een beetje wat er die ochtend was gebeurd. Maar op mijn terugreis, toen ik met mijn dochter belde, die sinds het weekend plotseling over haar hele lichaam uitslag had, en ik me bezorgd afvroeg, wat er toch aan de hand was, werd ik gadeslagen door een jongeman.
Toen ik in Rotterdam uitstapte om over te stappen op de trein naar Dordrecht tikte hij me op de rug. Hij vroeg me of hij mocht vragen wat mijn beroep was en hij veronderstelde dat ik psycholoog was. Ik keek hem verbaasd aan en zei dat dit niet het geval was. Hij zei: “Ik weet niet wie u aan de telefoon had, maar u hebt die persoon fantastisch geholpen. Dat wilde ik even tegen u zeggen.” Ik kreeg een kleur, voelde me betrapt op een intiem telefoongesprek met mijn dochter en besloot voor de zoveelste keer nooit meer te bellen in de trein. Tegelijkertijd voelde ik me gevlijd door zijn compliment, dat volkomen oprecht leek bedoeld.

Er volgden nog twee gebeurtenissen. Vanaf het station haalde ik op woensdag altijd, indien mogelijk, ons groentepakket. Mijn wandeling naar huis verlengde ik op deze wijze en ik was blij met deze wandeling, die de dag op de juiste manier afsloot. “Mag ik u wat vragen, mevrouw?” vroeg hij. “Weet u waar de …. straat is.” Er stond een kleine, mollige, vrolijke jongen tegen de schutting geleund van een jaar of 9. Hij zocht mijn blik toen ik hem met mijn boodschappentas passeerde. Ik legde wat onzeker uit hoe hij daar moest komen en verwees hem naar een tunnel, een paar honderd meter verder op, Hij keek me ondeugend aan.
“Ha ha” zei de jongen, “Nam ik u mooi in het ootje. Die straat ligt direct achter u. Veel mensen weten dat niet….” Hij kwam niet meer bij van het lachen. Het werkte aanstekelijk.
Ook ik schoot in de lach en vervolgde vrolijker, mijn tocht naar huis.

Begin van die avond begaf ik me naar de yoga les. Op de terugweg van deze les liep ik een man tegemoet op zijn avondwandeling met een grote herder. Ik liep over een smal pad, dat dwars door het plantsoen liep en moest hem passeren. Het was een bekende “uitlaatroute” voor honden en ik was het gewend dat honden me daar passeerden.  De tegemoet komende hond gromde echter kwaadaardig in mijn richting en leek me aan te willen vallen. Ik was onmiddellijk doodsbang en negeerde zijn blik. In mijn hand had ik een wierookstokje met een nieuwjaarswens er aan. Ik had hem gekregen van mijn yogadocent die 5 weken naar Thailand was geweest. Ik liet mijn stokje wierook vallen en voelde me verstijven van angst. Bosjes om me heen versperden mijn uitwijkmogelijkheden. Doodstil stond ik toen de man met de hond passeerde. De neus van de hond raakte mijn jas. Ik keek hem beduusd na en rende daarna naar huis als een meisje van 8.

Opgelucht en dankbaar schoof ik even later naast mijn man in bed.  Het was een avontuur geweest, deze tweede woensdag in januari. Het was een dag geweest vol met curieuze ontmoetingen, opmerkelijke gebeurtenissen die elkaar met tussenpozen opvolgden, met mijzelf als middelpunt. Ik vroeg me af of het aan mijn stemming had gelegen, aan mijn argeloze blik op de wereld.
Ik droomde die nacht van een meisje met rood haar. En van een grommende herder.

Thuis

‘Je hebt thuis genoeg te doen, loop niet weg,’ raadde de zestiende-eeuwse schrijver Michel de Montaigne zijn lezers aan.

We hadden een huis voor je gezocht, een ander huis dan dat huis dat je al jaren goed zat, als een warme jas. Als een mooie mantel eigenlijk. Dat huis dat je kinderen ooit hadden verlaten. Dat huis waar je soms op foeterde, dat huis waar je uren had doorgebracht, wachtend op mijn vader, die altijd op pad was, dat huis, waar je truien had gebreid, boeken had gelezen, waar je zo lekker had gekookt voor je echtgenoot en voor je kinderen. Het huis dat een extra raam kreeg, zodat je beter naar buiten kon kijken. Het huis dat perfect in orde was en met smaak ooit door jou was ingericht, uit dat huis hadden we je weggehaald.

Enkele weken geleden reed ik door het verlaten Drents landschap op weg naar huis. Het was eind november en koud en guur weer. Er trok een witte mist op boven de weilanden om me heen en de rijp lag op de takken van de bomen langs de weg. Ik kwam niemand tegen en ik voelde me ontheemd in het vage Drentse landschap. Ik had net mijn moeder achter gelaten in de kleinschalige woonvoorziening voor mensen met dementie in het Drentse dorp, niet ver van haar geboortegrond.

Ik las in het boek ”Kleine filosofie van het rijtjeshuis” door Peter Hoexum een mooie definitie van wonen: betekenis toekennen en waarde hechten aan een bepaalde plek. In datzelfde boek lees ik: thuis is niet alleen een plek maar ook een reeks van handelingen. Zo zie ik dat mijn moeder ook moeite heeft met haar verhuizing, al kan ze dat lastig uiten. Ook al is haar bewustzijn in een ver gevorderd stadium van dementie, haar vertrouwde reeks van handelingen, zijn haar afgepakt en dat moet wel verdrietig voor haar zijn. Ik stel me zo voor dat een vaag gevoel van ontheemd zijn zou kunnen voelen, zoals ik in de mist in het verlaten Drentse landschap. De sleur, de gewoontes, de bekende route in haar vertrouwde fijne huis. Ze zijn haar ontnomen.

Ze zat er goed bij. Het was haar eerste week in het huis. Ze at goed, ze sliep redelijk, ze lachte tegen de verzorgsters, die haar “een droppie” vonden. Ik zag dat ze lief waren voor mijn moeder en ik zag dat ze de zintuigen goed voedden en dat ze een prachtige kamer had in het mooie huis. Toch vond ik het moeilijk haar daar te laten. Ze oogde zo kwetsbaar en klein aan de grote tafel.

Ooit zei mijn zus het tegen mij; maak van je huis een kasteeltje, na een periode waarin ik me tamelijk ongelukkig had gevoeld. Destijds moest ik deze opmerking goed tot me door laten dringen. Ik begreep niet zo goed hoe ik dat kon doen. In de jaren die volgden, ik was rond de 30, lukte me het steeds beter. Mijn huis werd een thuis, waar ik me veilig voelde en een warme plek waar het goed toeven was. Ik leerde er alleen te zijn, ik leerde dat ik een eigen sleutel had en ik voelde me steeds tevredener met mijn kleine oude huisje in de binnenstad van Utrecht. In middels zijn we jaren verder.  Ook mijn moeder was er goed in. Zij had van haar huis een kasteeltje gemaakt. Het huis dat mijn vader, geheel naar haar wensen bouwde. Het huis waar ze minstens 35 jaar samen met mijn vader gewoond had, de man met wie ze 60 jaar lief en leed deelde. Dat huis was verbonden met haar, met haar leven, verbonden met het leven met hem, met hun gewoonten, hun routines, hun leven samen.

Ik hoop dat mijn moeder, ondanks haar beperkingen, of dankzij haar beperkingen, van dit huis weer een thuis kan maken, passend bij haar staat van zijn. Dat zou troostrijk zijn en misschien kan ik haar dan makkelijker daar laten, als ik haar bezoek.Hoexum stelt stelt dat je “ thuis” een werk in uitvoering is, dat je grondig moet onderhouden, bijvoorbeeld door te verhuizen. Ik geloof dat dit zo is.

 

.

 

Begraafplaats

Hoe verzoenen we ons toch met ons einde, of hoe verzoenen we ons toch met het einde van onze geliefden? Hoe bereiden we ons voor op een dood zonder angst? We kunnen er een heel leven over doen.  En we kunnen ons er heel erg in vergissen… Want oh, als we er onverwachts voor staan. Dan is de dood koud en groot, dan is hij een mysterie, die een fikse draai kan geven aan ons leven of dat van onze geliefden.

Op een zomerse middag in 1972 gaat de zwart bakelieten telefoon in onze gang. Ik neem op. Oma is dood, zegt mijn tante. Ik schiet in de lach. De oma die dood is, staat ver van mij af. Mijn ouders zijn net vertrokken naar het ziekenhuis. Al weken lang bezoeken ze mijn doodzieke oma. We worden als kinderen ver weg gehouden van dit leed en van de dood die daar op volgt. Onwetend zijn wij. De begrafenis gaat aan ons voorbij. De puberteit zet in en ik ben bang voor de dood. Mijn hele jeugd woon ik tegenover de begraafplaats. In de zomer ontnemen de dichtbegroeide groene bladeren het zicht op het kerkhof. Doch in de winter, als de heg aan de overkant van ons huis, kaal is, dan biedt diezelfde heg vanuit mijn bed een onbelemmerd uitzicht op de graven. De bladerloze takken omlijnen een zware realiteit. De nachten waarop ik mijn gordijn op til en door de heg naar de grijze stenen staar, zijn  vlekkerig en stil. De schots scheve graven, de kaalheid en kilte en het vocht van de winterse nachten, brengen een gedachtestroom op gang over de dood. Ik roep haar dichterbij en in mijn verbeelding overpeins ik mijn laatste winter. Vanaf mijn 12e tot mijn 18e, heb ik regelmatig van dat soort gedachten over “het einde.” Mijn hypochondrische “ik” verzint dramatische ziekten en verzamelt ondoorgrondelijke pijntjes die me overdag plagen en me s ‘nachts wakker houden. Soms deel ik mijn angst met mijn moeder en zij constateert broodnuchter dat het “groeipijntjes” zijn, die horen bij de puberteit en het leven.

Ze is dik mijn oma. Ze draagt een korset met kleine haakjes, die haar zachte grote buik, hard en ondoordringbaar maakt. We logeren bij haar, mijn zusjes en ik. In de kleine slaapkamer hangt een gifgroen schilderij met een engel. Ze kijkt groots op ons neer. Het schilderij is zo breed als de muur van de kamer.
Ik herinner mij het kale glas op het marmeren blad van het nachtkastje. In het glas met water dobbert het  kunstgebit van mijn oma. Ze draagt een nachtpon tot aan haar tenen. Haar lang grijze haar reikt tot haar middel. Elke ochtend draait ze een “knoet”. De knoet wordt groter, door het hulpstuk, dat ze vakkundig onder haar haar draait. Soms mogen we haar helpen met haar korset en dan priegelen onze kindervingers met de kleine haakjes. Oma lijkt wel een heks in haar nachtpon. In het kastje bewaart ze blikjes met Haagse hopjes en met laurier drop. De hopjes kleven aan onze tanden en de laurierdrop kleurt onze tanden grijs. Ze houdt van bloedworst, waar ik van gruwel. Ze draagt een goudkleurige bril met doorzichtige vierkantjes die haar ogen onheilspellend vergroten.

We staan stil bij de grote variatie aan grijs, wit en zwart getinte stenen, oud of glanzend. Nieuw, gebroken of glimmend marmer, of donker grindachtig grimmig zwart, bemoste stenen, mooi of intens lelijk. Ik ben acht jaar en mijn fascinatie voor de dood begint daar. Zij prevelt de namen en vertelt wie ze waren. Mijn oma kent de doden. Ik luister ademloos.Terwijl de laatste sneeuw groezelig het pad onder de hoge beukenbomen bedekt, loop ik aan de hand van mijn oma over de begraafplaats. Het is koud.
Vele jaren later, sta ik op dezelfde begraafplaats met mijn vader. Aan de hand van mijn vader staat mijn dochter. We staan onder de grote, groene treurwilg die te zien is, vanuit het huis van mijn ouders. We staan rondom het graf op het verende gras. Onder de treurwilg ligt een zusje van mijn opa begraven. Ze stierf jong. Mijn vader laat onbekommerd zijn tranen vloeien. Oud worden en oud zijn heeft soms bijna iets beschamend. Mijn dochter en ik staren ongemakkelijk naar het graf.

Destijds op dat kerkhof met mijn oma, realiseerde ik me voor het eerst mijn sterfelijkheid. Het overdenken van de dood, de vragen, de angsten rondom het sterven brengen onrust bij me teweeg en maken me tegelijkertijd extra bewust van de troostrijke en bijzondere ervaringen, die in mijn  leven langs komen.

 

privileges

De  dichter al Galidi bezocht de Haagse hogeschool tijdens een symposium over vluchtelingen. Vandaag stond hij in de krant. Ik vond zijn visie op het leven verfrissend. In 2002 kocht ik een bundel van zijn hand die me toen al trof. We hebben maar weinig geleerd te overleven hier in het Westen, zo zegt hij. Zou een crisis ons kunnen helpen om voorbij onszelf te komen?

Ik citeer hier een strofe uit de nachtegaal in het ei:
(….)

Je bent vogel, nachtegaal.
Morgen zal je snavel sterk genoeg zijn
om het duister te verbreken
Dan zal je de hemel bezitten.

Je hoeft alleen maar door het kalk te pikken.
Daarna zal alles komen:
vleugels en kooien
de les van het bittere leven.
Leer jezelf geen hoogvlieger te zijn.
Durf te vallen met gebroken vleugels.

(….)

Ik vond enkele weken gelden bij de ramsj een boek met de titel Privileges door de Amerikaanse schrijver Jonathan Dee. Ik las het in een paar dagen uit. Het huwelijk van Adam en Cynthia is werkelijk perfect. Hun twee kinderen groeien op en ze lijken een onwankelbaar vertrouwen te hebben in de toekomst. Ze worden steeds rijker en rijker. Corruptie en ongeluk liggen op de loer. Zonder oordeel beschrijft Dee het leven van deze bevoorrechte mensen en de consequenties daarvan. De kinderen groeien op in een vanzelfsprekende overdaad en juist dit doet hen worstelen met deze privileges.

Worstelen wij gemiddelde Europeanen, al zijn we niet zo stinkend rijk, ook met onze bevoorrechte posities? Hebben we het te goed gehad in Europa? Is de plicht tot succes, niet een saai privilege geworden, dat ons in de armen drijft van de vanzelfsprekendheid en de angst om het tekort te ervaren.  Ook ik ken mijn bevoorrechte posities. Een bovenmodaal inkomen, een ruim rijtjeshuis, een goed gevulde koelkast, twee gezonde volwassen kinderen, die leuke studies doen, een zoon en een dochter, afkomstig uit een wit ondernemersgezin uit Drenthe, geen werkeloosheid, alle huwelijken van zussen en broer intact, koophuizen met een tuin. Ingekapseld te zijn, in een wereld waar weinig ruimte is voor het vreemde, het niet vanzelfsprekende, dat heeft mij vroeger regelmatig gedwongen tot rebellie.

Er bestaan nogal wat perfecte, zelfverzekerde, consequente persoonlijkheden in de zichtbare wereld. Mensen die hun doelen behalen, die de juiste sociale antennes hebben, die slagen in het leven, die met een grote vanzelfsprekendheid navigeren. Het zichtbaar maken van een eventueel tekort gaat hen veel moeilijker af. Soms daagt me dat juist uit om op zoek te gaan naar het menselijk tekort, ik zoek het in een gezicht, een relatie, ik zoek het in een kwetsbare medemens, ik zoek het in me zelf. Soms komt het spontaan op mijn pad. En soms kan ik het niet vinden. Dan maakt het me wederom rebels.

In de Trouw volg ik een serie, die gaat over het menselijk tekort. Ik citeer een uitspraak van Damian Denys, hoogleraar psychiatrie: “ Het zoeken naar het ware, het goede en het schone betekent: het belijden van het tekort.

Dus zoek ik in een wereld van hoogvliegers een andere wereld, die de verbinding vormt tussen onze binnenwereld en de buitenwereld, een wereld die ons bij voorkeur laat verdwalen. Deze wereld roept om gezien te worden. Het is de wereld die vragen stelt, die emoties op roept op cruciale momenten, het is wereld die in verwarring wil zijn. Het onvolmaakte zichtbaar maken geeft betekenis. Geen mens kan zonder, lijkt me. Meestal hapert een gesprek als het over onze onvolkomenheden gaat, onze menselijke tekorten, onze schuld en onze pijn.  Ik vind het steeds meer en vaker een troostrijke gedachte dat we mogen dealen met onze onvolkomenheden. Onvolkomenheden in een wereld die we graag willen controleren, maar niet kunnen controleren. De pijn die dit geeft leert ons voorbij onszelf te komen. Wat een ruimte geeft dat! Het leven, zegt Denys in Trouw, wordt geleid door wat de wereld en de ander je aanbiedt. Er voor open staan te worden uitgenodigd, om datgene te doen wat je niet zelf hebt verzonnen. We kunnen ons dus uit het menselijk tekort trekken door iets wat buiten ons zelf ligt. Mooi, om deze zomer zo te beginnen. Dat vind ik nou troostrijk!

Heilzaam

Ooit las ik dat een goed kunstwerk altijd een dichtwerk is. Een dans, een verhaal, een muziekstuk, een schilderij, een foto, een beeld dat “iets” doet met de toeschouwer.

Een goed kunstwerk, vervaardigd door een mens die iets wil tonen aan de wereld met zijn scheppingskracht. Waar zouden we zijn zonder de kunstenaars,  die ooit de moed hadden om een beroep te kiezen dat onze samenleving vaak zulke heilzame ervaringen brengt. Het kijken, het onderzoeken, het luisteren naar en het ervaren van een goed kunstwerk brengt ons (en de wereld) op een ander plan en/of op een andere hoogte.

Maar wat is een goed kunstwerk? Daarover valt te twisten en daar wordt ook maar al te vaak over getwist. Ik pretendeer hier niet de kennis te hebben om te duiden wat een goed kunstwerk is, toch waag ik me aan dit verhaal over kunst, over het gevoel voor schoonheid en de ervaring die ik had in Vezelay.

Het is een – te vaak – onopgemerkte groep in onze wereld, wiens aanzien en status in deze tijd wordt gediskwalificeerd door politici en beleidsmakers.
Omdat gedacht wordt dat ze zich wel redden, terwijl de cijfers over inkomens van kunstenaars iets anders weergeven. Ik ken ze, de kunstenaars die hun brood verdienen met workshops, een docentschap, een enkele opdracht, een freelance klus. De kunstenaars, die daarnaast schrijven, werken in hun atelier, in het theater of in het museum om de wereld iets te bieden: een ervaring van schoonheid, van lelijkheid, van vermaken, van ergeren, van troost, van ontroering.

Om de sneeuw in de Morvan te ontvluchten, waren we vanuit ons vakantieadres naar Vezelay gegaan. Een sfeervol, schilderachtig op een heuvel gelegen dorp en een spirituele etappe in de route naar Santiago de Compostella. Op onze zoektocht naar een warmer oord, kwamen we er min of meer bij toeval terecht: na twee dagen wandelen in de natuur, bracht het een welkome afwisseling.

In Vezelay werd van oorsprong kunst aangeboden als een middel om vorm te geven aan religieuze symbolen en vertellingen. Al in de 13e eeuw kreeg het dorp de status van een bedevaartsoord. Die spirituele sfeer was in het gehele dorp nog merkbaar, niet in de laatste plaats om de prachtige Basiliek, Sainte-Marie-Madeleine, Werelderfgoed van Unesco en al van verre op onze wandeling gezien, vooral bekend en beroemd om zijn  toegangspoort met indrukwekkende beelden van religieuze symbolen die ons een verhaal vertelden.

Het dorp bleek nog steeds een broedplaats voor pelgrims, kunstenaars en schrijvers. Na ons bezoek aan de basiliek keerden wij terug door de hoofdstraat naar beneden en bezochten halverwege de heuvel het museum Zervos, kortgeleden heringericht. Hier bewonderden we werken van Miro en Max Ernst, Picasso en Matisse. Beeldhouwwerken van Giacometti en Calder. Het museum bevond zich in het sfeervolle huis van de schrijver Romain Rolland en door de ramen hadden we een prachtig uitzicht over de glooiende, inmiddels, zonnige Morvan.

Enkele weken voor ons bezoek aan de Morvan hadden we thuis een animatie-film bekeken van de begintijd van Picasso, Braques en Matisse, maar vooral van Picasso, hoe zij hun armoedige leven als kunstenaar startten in “le Bateau-Lavoir”, het ateliercomplex van een groep kunstenaars in het begin van de 20e eeuw in Parijs. En hoe ze langzaam maar zeker bekendheid verkregen en door kunstverzamelaars werden ontdekt en de wereld veroverden, met hun toen schokkende, nieuwe manier van schilderen.
De interessante tijdgeest, het verhaal van deze film, namen we mee in ons bezoek aan het museum en sprak tot onze verbeelding. Het was een kleinschalig museum, gerund door kunstenaars, die op die manier ook weer wat bijverdienden. De sfeer in het museum was sereen. We waren bijna de enige bezoeker.

Maar het hoogtepunt van ons bezoek aan Vezelay moest nog komen, in een atelier halverwege de weg naar beneden in de hoofdstraat van het dorp. In de hoek van de zaal zat een meneer op een stoel met een boek, geconcentreerd te lezen. Ons bezoek werd begeleid door sacrale muziek, die de ervaring intensiveerde. In de ruimte hingen werken van zes Franse kunstenaars. We bleken de enige bezoekers en we verwijlden er, alsof het onze eigen huiskamer was. De kunstwerken van de zes kunstenaars, ook al waren ze zeer verschillend, leken in spirituele harmonie. Elk kunstwerk versterkte een andere, waardoor er een gewijde sfeer ontstond.

Soms is schoonheid lastig te beschrijven. Je kan het maar het beste zelf ervaren of met je eigen ogen zien. Ik stond voor een met gekleurd vloeipapier gemaakt kunstwerk, in de vorm van een kerkraam. Er hingen er vier. Hoewel op platen van eenvoudig golfkarton gemaakt, imponeerden de kunstwerken door hun veelkleurigheid, toon en transparantie. Ze riepen een verhaal van zichtbaar leven, van vreugde en van geduld bij mij op.

Aan de muur er tegenover hingen lange zwart-witte werken. De kunstenaar leek ze in enkele kwaststreken te hebben neergezet. Ze waren van een fotografische kwaliteit. Het riep bij mij het volgende op: Het leven dat met onontkoombaar leed passeerde, in witte en zwarte banen die bijna licht gaven. Ik werd getroffen door de eenvoud, wat me een wonderlijk gevoel gaf en me bijna aan het huilen bracht.

Toen we buiten stonden probeerden we elkaar uit te leggen wat we hadden ervaren.  We  besloten weer naar binnen te gaan en te vertellen aan de man, die in de hoek zat te lezen en een van de kunstenaars van de werken bleek te zijn, wat we hadden ervaren tijdens het kijken. Hoewel we het graag hadden gewild, besloten we om niets te kopen, omdat we er het geld niet voor hadden. De kunstenaar gaf aan dat hij blij was met onze reactie en dat de kunst daar hing om de wereld iets te vertellen en niet in de eerste plaats om iets te verdienen. Deze uitwisseling van de ervaringen tussen ons als kijker en de kunstenaar die het werk maakte, had een heilzame werking. Onze aftocht zonder kunstwerk was lichter geworden.

Tot slot:

Ik las in april een artikel in Trouw  over het bestaan van kunstenaars in Nederland.

Zie ook: https://www.trouw.nl/cultuur/inkomen-van-kunstenaars-is-zorgwekkend~a6155e7f/

Armoede

Eergisteren reisde ik eersteklas. Noodgedwongen. Er was een trein uitgevallen en omdat ik een trouwe ns-betaler ben, zei mijn rode hart mij, dat ik plaats mocht nemen tussen de “gegoede” burgerij. Ik zat naast een moeder en dochter. Zij zagen er goed gekleed en verzorgd uit. En hun leven leek fantastisch. Met luide stem vertelden zij elkaar hun succesverhalen. Ik aanschouwde hun verhalen en voelde me somber worden. Ik kon dat gevoel in mezelf aanvankelijk niet zo goed plaatsen. Totdat meisje aan de deur, een dag later. Ik begreep opeens dat er veel mensen zijn in materiële welstand, die niet meer weten wat er ook om hun heen is. Die leven op Facebook, de leukigheid en de successen. Ik pleit dan voor het omzien naar elkaar en soms voor het delen van teleurstellingen. Teleurstellingen in ons eigen leven. Teleurstellingen die er mogen zijn: in de liefde, door ziekte die op ons pad komt, de pijn om onze ouders, onze relatie met hen, de onmacht om je kinderen die soms iets anders doen dan je had verwacht,  de teleurstellingen in ons werk: dat we niet om kunnen gaan met een leidinggevende die ons dwars zit, een dierbare die we dreigen te verliezen, dat we worden afgewezen of worden uitgesloten, dat we ons vergist hebben.
Laten we niet alleen maar wegdromen in onze welvarendheid en ons goed functionerende persoontje.

Er was dus een meisje aan de deur. Wij zaten net te eten. Ze was een jaar of 20.
Ze vroeg om geld voor gezinnen die onder de armoedegrens leven. Mijn man deed open. Ik luisterde naar haar verhaal. En ik luisterde hoe mijn man haar ondervroeg. Wantrouwend. Ik snelde naar de deur. Ik wil altijd graag geven. Omdat ik vind dat wij het zo goed hebben.
Ik vond mijn man te streng. Het meisje droeg een groot pak speculaas. Ze vroeg een tientje voor dat pak speculaas. Ik duwde mijn man op zij. Toen gaf ik dat tientje, en dat pak speculaas hoefde ik niet. De website waar ze over sprak bestond. Het kaartje om haar nek zag er betrouwbaar uit, toch voelde ik me later belazerd. Ik wenste dat ik mijn man was gevolgd in zijn strenge houding. Dat tientje konden we prima missen, maar het was wel erg veel voor een pak speculaas. De volgende avond, het was vrijdag, we zaten net lekker met ons glaasje wijn op de bank om het weekend te starten, stond er een jongen voor de deur. Ook hij droeg een kaartje om zijn nek. Nog voor hij aanbelde schudden wij allebei krachtig ons hoofd. We dachten weer aan het meisje. En hoe het als een lopend vuurtje door de buurt ging, dat wij een tientje betaalden voor een pak speculaas. Hoe suf dat was. Ik bedacht toen maar dat het meisje het geld kennelijk hard nodig had gehad. En dat we in al onze welstand, daarmee haar geholpen hadden. Dat we ons “meegevoel” voor armoede getoond hadden.

Vandaag is het Goede vrijdag. De dag van het “ultieme lijden.”
Ik sprak zo juist mijn vader van 85. Hij houdt enorm van klassieke muziek en bezocht gisteren de Mattheus Passion. Met geëmotioneerde stem vertelde hij me hoe prachtig het was geweest. Vanochtend las ik de krant. Ik ben al jaren een groot fan van psychiater Dirk de Wachter. In het interview proclameert hij het “lijden.” Hij benoemt in het artikel (“We lijken het lijden verleerd”) de idealisering van de vrijheid die “ik” heet. “ “We moeten alles alleen kunnen en vanuit onszelf fantastisch zijn. Lijden past niet in dat idee van maakbaarheid, dus doen we maar alsof het er niet is”, zo stelt hij in het artikel.
Ik ben geen voorstander van de ‘emo-cultuur” waarin we het lijden uitvergroten. Ik zie wel steeds meer dat lijden een functie heeft in ons leven en dat het omgaan met onze tijdelijkheid, het omgaan met pijn, met verlies en met de dood ons leven misschien wel zin geeft. Geestdrift, bezieling en bevlogenheid kunnen volgens mij alleen dan bestaan in het lichte. Door af te zien, door iets moeilijks te doen of door iets te doen voor iemand anders, die het moeilijk heeft raken we wellicht wat minder gericht op ons eigen ikje. I

 

https://www.trouw.nl/samenleving/we-lijken-het-lijden-verleerd~abc63a14/

Gekte

We deelden het zelfde afdakje en een boterham met pindakaas. Toen ik aan kwam lopen stond hij er al. Met zijn dikke buik versperde hij me min of meer de weg. Het motregende. Hij droeg geen jas. In zijn lichtblauwe wat vlekkerige V-hals trui zag hij er versleten uit. Ik herkende zijn wat stramme houding en zijn bruinoranje nicotinevingers, met daartussen een eeuwige sigaret. Zijn houding was desondanks kaarsrecht en er ging ook iets intimiderends vanuit.
Hij vroeg me om geld voor de bus. Wat ik niet had met mijn goedwerkende pinpas.
Hij vertelde dat hij naar Scheveningen wilde.

Het bezoek dat ik had gebracht aan de grote psychiatrische instelling aan de rand van Den Haag bracht me terug in de tijd.
Ik maakte weer kennis met de chronische psychiatrie en proefde het onvermogen van onze samenleving om daar mee om te gaan. Mensen met permanente stemmen in hun hoofd, wanen, of mensen die zich uitverkoren voelen en daarop hun gedrag afstemmen, mensen in eindeloze verwarring of manie. Komt het door de genen of door de opvoeding? Komt het door een tekort of door een haperend stofje in het hoofd? Ik zou willen begrijpen waarom de een wel over het randje dondert en de ander niet. Over het randje richting die grote gekte en dan diep, diep valt en er nooit meer uit komt. Terechtkomend in de wereld van de pillen, de pillen en de opnames.

Het heeft  iets kokets om met de grote gekte te flirten maar op de een of andere manier intrigeert mij de gekte van een ander, evenzo als de gekte van mezelf, de kleine gekte die iedereen wel kent, die het leven boeiend en veelzijdig maakt en die ons scherp houdt en waar we mee leren leven, of waarom we leven. Daar zijn ze weer: ons onvermogen, onze kwetsbaarheid, onze tekorten, onze dwarsigheid, onze rebellie. Daar zijn boeken over vol geschreven….Grote gekte kan charmant zijn en duivels. Misschien wil ik iets duiden wat nooit te duiden valt. De wereld van de chronische psychiatrie. Waar psychiaters met de rug tegen de muur staan. En dan maar weer de pillen. Of een opname.

In het dorp waar ik opgroeide woonden twee dorpsgekken. In hun corduroy inrichtingspakken liepen zij door het dorp. De een droeg een ketting met een klok. Hij kreeg de naam “ opa klok.” Hij wist altijd de tijd, met de juiste precisie aan te geven. De andere luisterde naar de naam Riek. Hij noemde mij en mijn zussen altijd femkes.

Zeven jaar werkte ik met chronische gekke mensen. Met enkele van hen had ik een zeer goede verstandhouding. Ik denk nog regelmatig terug aan hun onvermogen en hun vermogen, aan hun hospitalisatie. Ik herinner me het jonge meisje dat een fles spiritus leeg dronk en net op tijd gevonden werd. Ik herinner me de levens voor opname, waarover ze me vertelden. Ik herinner me de kunstenaar die Paul Klee imiteerde. Hij deed dat weergaloos. En met een oneindige precisie. Zijn kamer hing vol met reproducties, met zijn hand vervaardigd. Ik herinner me de jongeman die eindeloos foto’s van mij knipte, tijdens uitstapjes en die bewaarde in een la op zijn kamer. Die me op een donkere avond met een mes bedreigde en die ik er van wist te weerhouden om daar in door te zetten. Sommige bewoners hadden het lef om het leven te vieren. Ik herinner me een rijke dame die eens per 6 weken een taxi liet voorrijden en dan in flamboyante kledij op stap ging. Ze kwam altijd licht-dronken en tevreden terug. Ze had zich vermaakt.

Ik herinner me de enorme hoeveelheid pillen, de haldolspuiten en de geur van verschraalde sigaretten. Ik herinner me hun talrijke ziektebeelden, opgenomen in hun dossiers. Ik herinner me de passieve wachttijd, waarop. Ja waarop?
Ik herinner me het pionieren met de rehabilitatie van bewoners, vergaderingen waarin we bedachten hoe de bewoners in een beschermde woonvorm volgens hun eigen manier geactiveerd en benaderd moesten worden. Ik herinner me ons onvermogen en onze frustratie.
Ik herinner me het moment dat ik deze psychiatrie de rug toe keerde. Zo mijmerde ik over de gekte terwijl ik met hem sprak. Ik zag dat hij blij was. Ik was ook blij voor hem. Tegelijkertijd werd ik overvallen door een oneindige treurigheid. Hij stapte net als ik in de bus, die na ongeveer een kwartier arriveerde. Hij kende de chauffeur. Die hem instemmend toeknikte. Hij zat aan de andere kant van het gangpad naast me. Hij wendde zijn blik triomfantelijk tot me. Ja, hij ging naar Scheveningen.

Kiezen

Het schijnt dat veel (jonge) mensen leiden aan keuzestress. In onze westerse wereld is het aanbod inderdaad overvloedig: zoveel studies, zoveel soorten brood, zoveel impulsen, zoveel films, zoveel berichten, zoveel boeken, zoveel jam.
We maken honderden keuzes per dag. Die variëren van eenvoudig en routinematig tot indringend en tijdrovend. Zoals een kledingkeuze in de ochtend tot de vraag of we ergens mee door moeten gaan of juist ergens mee moeten stoppen. Van de eenvoudige vraag tot wat we op onze boterham smeren tussen de middag tot wat we vanavond zullen gaan doen: sporten, lezen of een film kijken, met iemand praten of misschien  eens helemaal niets.

In oktober 2016 bezocht ik het Brainwashfestival in Amsterdam. Daar woonde ik een lezing bij waarin een filosoof vertelde dat op een markt met vele soorten jam, de kramen met minder soorten jam beter verkochten dan de kramen, waar de kraam een enorme hoeveelheid soorten jam in de aanbieding had. Welke jam kiezen we? Naarmate het aanbod kleiner is lijken we ons dus makkelijker te kunnen committeren aan een keuze. Je verbinden aan een keuze, deze uitdiepen en verdiepen en onderzoeken is misschien lastig in deze snelle tijd. Maar vormt wellicht tevens een uitdaging of een kans voor veel (jonge)mensen.

Er zijn grote keuzes die regelmatig worden ingegeven door de vraag: Hoe word en blijf ik gelukkig? We leven hier in Nederland -nog wel- in de luxe positie dat we niet worden gedwongen om ons te schikken naar een vreselijke omstandigheid, zoals een oorlog, honger, een bedreiging of een natuurramp. Veel keuzes worden ook hier door ingegeven door eigen belang. En maakt ons dat dan gelukkig? Onze keuzes hangen meestal samen met “doen” maar lijken ook vaak samen te hangen met “krijgen.”
De volgende vragen waren voor mij interessant in het kader van het maken van een keuze. Doen we iets goed of doen we iets maar half? Doen we iets voor ons zelf of doen we het voor een ander? Blijven we iets doen waar weinig plezier meer in zit of gaan we iets doen waardoor het voldoening oplevert? En waar heeft dat dan mee te maken? Wat maakt het keuzeproces zo ingewikkeld? Wie zijn we zelf in dit keuzeproces? Durven we verantwoordelijkheid te nemen voor de keuze die we soms moeten maken en durven we onze menselijkheid onder de loep te nemen? Het leven leerde me dat grotere keuzes vragen om doorzettingsvermogen, actie en commitment. De bereidheid om ergens voor te gaan. De keuze voor een studie, een grote reis, een verhuizing, het beëindigen van een relatie, een andere baan, het beëindigen van een dienstverband, een carrière switch vragen daar om. De keuze voor het werken aan iets dat voldoening brengt vraagt daar om.
Maar ook de keuze voor een goed gesprek, een fijne strandwandeling, een goede maaltijd, een mooie film, het bijwonen van een voorstelling, vragen om dit commitment. Er zijn met al je aandacht. En dat is nog niet altijd zo gemakkelijk ervaar ik dagelijks.

Kiezen brengt meestal verliezen met zich mee. Sommige keuzes zijn zo groot dat ze veel tijd vragen en pijn doen. Soms gaat het om een keuze, waarbij we dus onze eigen ervaringen onder de loep moeten nemen om te kunnen kiezen. Sommige keuzes vragen om een nachtje extra slaap.
Aan elke keuze gaat een beslissing vooraf. Het is voor mij een troost dat elke keuze die ik ooit maakte, was gebaseerd op een ooit genomen beslissing en dat deze beslissing op dat moment de beste beslissing was die ik nam, op grond van eer en vermogen, op grond van de juiste intentie en op grond van de kennis die ik destijds had van mezelf. Dat helpt ook om eventuele omstandigheden in de toekomst gemakkelijker te trotseren.

Onlangs las ik het boekje Zen en keuzes maken van Rients Ritskes. Soms drijven we al jaren op ons “ zelfgebouwde vlot” en toch weten we dat we geen voldoening meer halen uit datgene wat we doen of laten stelt Rients Ritskes.  Grofweg heb je dan twee alternatieven zegt Ritskes.  Meer nieuwe dingen doen, dus iets minder van het oude OF juist minder nieuwe dingen doen en de bekende activiteiten beter en intensiever gaan doen. Ik vind dat een mooi advies.

Ik dobber al jaren op mijn zelfgebouwde vlot van hard werken. Vele grotere en kleine studies naast mijn werk. Intensieve keuzes, reorganisaties, een baan opzeggen, mijn eigen bedrijf starten, mijn eigen bedrijf stoppen, geld verdienen, volwassen zijn daarin, moeder zijn, partner zijn, dochter zijn. Ik weet inmiddels dat ik het nodig had om dit allemaal  zo te doen om te bewijzen dat ik niet lui of gemakzuchtig ben.  Onbewust heeft dat veel keuzes bepaald. Telkens weer, kom ik na een ingewikkeld keuzeproces erachter dat zelfkennis de sleutel kan brengen tot een keuze en een uiteindelijke beslissing. Ik krijg het daar warm van. Ik slaap er niet van. Word er onrustig van.  Het betekent dat ik mijn doen en mijn laten onder de loep dien te nemen.  Ik hoop dat vele anderen, die net als ik  in zo’n keuzeproces worstelen met zichzelf,  in 2017 komen tot een beslissing komen die goed voelt. Happy New Year!

De jas

Toen ik 20 jaar was kreeg ik van mijn moeder een karmozijnrode mantel. Het was een dure zwierige en  opvallende jas voor een dame, die ik toen nog niet was. Een jas waar ik me dus niet echt in thuis voelde. Hij was te lang voor op mijn racefiets, waar ik toen veel op fietste en hij paste ook niet bij mijn oude zwarte opoe fiets, waarmee ik me dagelijks door de stad bewoog. Toch was het mijn jas en een gift van mijn moeder. De keuze voor deze jas was beïnvloed door haar mee-kijken. Hij was ook beïnvloed door de erkenning die ik veelvuldig zocht bij mijn ouders. Mijn moeder was spaarzaam in het geven van die erkenning. De jas was bovendien heerlijk warm en viel op. Dat deed ik toen graag. Ik was een halve hippie in de jaren 80. Vaak droeg ik 2e hands kleding, die ik op de kop tikte op markten. Oude blouses, broeken, regenjassen en jurken bepaalden mijn stijl.

Toen ik die winter stage ging lopen in de verstandelijke gehandicaptenzorg en daarvoor in een zusterflat op de Veluwe bivakkeerde maakt ik kennis met mijn stagebegeleider die een Bhagwhan aanhanger was. Hij fladderde in zijn rode pak over de afdeling en speelde tussendoor prachtige liederen op de oude zwarte piano die in de woonkamer in een hoekje stond. Ik vond hem een “vrije geest”. Hij woonde in de Bhagwan commune in Heerle, waar ook Ramses Shaffy toen een bed had, en waar wij een paar keer met het team vergaderden. Bhagwan (Gezegende, God, was toen al in populariteit aan het afnemen (het waren de jaren 80)) begon in de jaren 70 discipelen te initiëren, die hij een nieuwe naam gaf en een mala (kralenketting) met een fotootje van hemzelf eraan. Hij droeg hen op dagelijks te mediteren en voortaan alleen maar oranjerode kleding te dragen, de traditionele kleur van de sannyasins of asceten in India. Om de initiatie te ontvangen hoefde men niet aan bepaalde voorwaarden te voldoen, zoals gebruikelijk was bij de traditionele vorm van sannyasin. Evenmin eiste Rajneesh (de oorspronkelijke naam van Bhagwan) een ascetische levenswijze, integendeel: hij moedigde zijn sannyasins aan om het leven te omhelzen en vrij te experimenteren met seks. Mijn begeleider vond mijn karmozijnrode mantel prachtig en ik moet eerlijk bekennen dat deze uitspraak een ander licht op mijn jas wierp. Het was een koude winter en ik droeg mijn jas daar op de Veluwe veelvuldig.

Gisteren kwam mijn zoon enthousiast de trap op rennen. Ik stond de was te vouwen. Hij toonde mij met een hongerige blik zijn nieuwe jas. Het was een zwarte mantel. Een mantel voor een heer. De wollen jas reikte tot zijn knie en viel sluik om zijn lichaam. Mijn zoon leek een heer. De jas kostte 100,– euro, eigenlijk niet duur voor een wollen winterjas. Hij noemde het zelf “een David Beckham-jas.” Ik vroeg me onmiddellijk af of deze jas een verstandige keus was. De jas leek onpraktisch. Het was zeker geen regen of weer en wind jas. Bovendien was de jas van wol. Wanneer was het nog zo koud in Nederland dat een wollen jas noodzakelijk was? Mijn eerste reactie op mijn enthousiaste zoon: “wat een onpraktische jas.” Teleurgesteld denderde mijn zoon de trap weer af. Hij wilde heel graag dat ik blij was met zijn jas. Zijn vriendinnetje liep er bedremmeld achter aan. Ik gooide er nog een schepje boven op.

Wat een geld voor zo’n jas. (…Terwijl hij niet veel geld had….) Wat een tuttige jas, was een eenvoudig jack niet veel handiger, als je ging wandelen, de bossen in. Dit was een echte stadsjas. Leuk voor “erbij.”

Mijn zoon werd steeds bozer. Wat een flut argumenten. Nee hij was dol op deze jas. Mijn dochter bemoeide zich er mee:

Dit was een echte studenten-jas. Hier mee kon mijn zoon goede sier maken. Ik moest goed begrijpen dat alle studenten zulke jassen droegen. En…. het was mode.

Mijn laatste argument: wat geef jij nu om mode, werd met een boze blik vernietigd. Ik wist dat dit laatste ook werd ingegeven door mijn hekel aan David Beckham. Ik associeerde hem met alles wat ik als een foute wereld zag. Dat mijn kind nu juist zo’n wereld als voorbeeld verkoos, voelde hoogst onplezierig. In mij resoneerde plotseling ook de kritische opmerkingen van mijn moeder: wat een onpraktische jurk en/of blouse, wat een slordige broek. De irritatie die dat destijds opriep. Dus ik staakte mijn kritiek en verzonk in mijmering. Ik vond het belangrijk dat mijn kinderen eigen keuzes leerden maken. Dat ze met vallen en op staan van het leven leerden. Waarom bemoeide ik me dan zo met deze triviale keuze? Was ik geïrriteerd omdat het vriendinnetje van mijn zoon de keuze voor deze jas mede had bepaald?

Wat een ophef van mijn kant over een jas. Werd dit veroorzaakt door bovenstaande geschiedenis? Of kon ik het niet hebben dat mijn zoon andere keuzes maakte (of dezelfde?) als ik destijds. Misschien was deze keuze wel verpakt in het gaan van zijn eigen weg op alle fronten van het leven. Mijn zoon was 20. Hij woonde al een jaar op kamers. Hij deed het goed daar. Ik was trots op hem.

Ik wist dat hij aan het loskomen was van de emotionele binding met zijn ouders. Dat dit soms een klus was. Daar hoorde ook bij: durven afgaan op het eigen oordeel en durven ingaan tegen de druk van leeftijdsgenoten en ouders. Mijn zoon zat midden in dat proces. Ik wilde hem leren loslaten besefte ik gistermiddag. Hoe moeilijk ik dat vaak ook vond.