Vliegen

budapestIn ons kostbare leven reizen we graag. Reizen breekt iets open, nieuwsgierigheid, verwondering, een wereldbeeld dat vast zat. Reizen brengt ons over de oceaan, naar de andere kant van de wereld. Bijna alle wetenschappers die zich er in verdiept hebben, zijn  het er over eens dat de klimaatverandering vooral wordt veroorzaakt door de mens.  Opwarming van de aarde is niet meer te stoppen, maar we kunnen wel wereldwijd minders CO2 gaan uitstoten. Vliegen is een van de meest vervuilende manieren om te reizen en vooral  verre reizen hakken er in. Ik was me daar bewust van toen we ons stedentripje naar Boedapest  boekten. Een keuze waaraan ook ethische bezwaren kleefden….

Hoeveel CO2 had ik op mijn voetprint staan?  Het werd in mijn leven mijn 9e vlucht telde ik. Allemaal korte reisjes en een hele lange…De 17e vliegreis als ik de terugreizen mee telde. En ik liet de computer rekenen en las:

De totale uitstoot van jouw stedentrip in Boedapest met 2 personen voor 3 nachten is 170 kg CO2.

Ter vergelijking: de uitstoot voor het jaarlijkse energiegebruik (gas en stroom) van een gemiddeld huishouden is 4.160 kg CO2.

Ongeveer een week geleden had ik gelezen in de krant hoe het vliegen ons beeld van het reizen had veranderd. Volgens de schrijver van het stukje hadden we het echte reizen verleerd. De boot, de trein, de fiets, de bus,  het lopen, de moeite die een reis kon kosten. Het reizen was te gemakkelijk geworden. Te vanzelfsprekend.  Een reis boeken gaat inderdaad gemakkelijk, we checken in en zijn op de plaats van bestemming.

Nu was reizen per trein of bus voor ons geen optie want wij hadden niet veel tijd en dus compenseerden we ons schuldgevoel:  met bewust eten, duurzaam vervoer naar ons werk en duurzaam vervoer in de stad, zo compenseerde we onze CO2 uitstoot… En natuurlijk verstopten we ons achter een verlangen naar een leuk reisje. Zo gingen we 4 dagen onze 25 jarige liefde vieren in Boedapest en ja, we gingen met het vliegtuig.

Licht gespannen vertrokken we vroeg in de ochtend, richting  vliegveld. We vlogen twee uur en landden. We zaten nog een half uur in een bus naar het centrum van de stad en kwamen daar aan volgens plan. Recht tegenover ons appartement stapten we uit, samen met een kudde jonge mensen met rolkoffertjes. Ook deze  mensen gingen net als ons de stad verkennen. Net als ons hadden ze gekozen voor een goedkoop vliegticket, een stedentrip naar een (goedkope) stad, waar veel te zien en te verkennen viel.. Wij brachten onze koffertjes naar het apartement en toen kon ons echte reisje beginnen.

Ik observeerde het vliegtuig gedurende de vlucht. En de mensen om me heen. Het personeel oogde ongelukkig. Het vliegtuig oogde als een koekblikje. De stoelen toonden wat versleten en armoedig. We zaten tussen bijna alleen maar jonge mensen, studenten, jongeren en twee andere 50 plussers. Ik voelde me schuldig. Niet alleen door de klimaat berichten. Niet alleen door de  milieubelasting. Ook door de keuze van Ryanair. Daar kwam mijn angst nog bij. Dat zelfde weekend stortten er 2 vliegtuigen neer. Ik las het vlak voordat we onze vlucht naar huis terug namen. Had ik beter niet kunnen doen. Ik was pas weer rustig toen we met beide benen op de grond stonden.

Mijn zoon vertrekt op 1 april op de fiets naar de Kaukasus.  En reist met het vliegtuig terug. Hij halveert daarmee zijn CO2 uitstoot. Een bewuste keus? Enigszins. Hij gaat echt op reis.

Ik sluit af met een gedicht over Boedapest ter ere van de komende Boekenweek: reizen, ervaren…..en dan schrijven over een mooie ontdekkingstocht met schuldgevoel.

Of lezen, ook een vorm van reizen, ervaren en ontdekken, maar dan zonder schuldgevoel, schoon op reis, thuis op de bank.

Budapest,

 

Hoe zal ik me bewegen in deze stad, waar de kleuren zo zacht zijn. Langs onschuldige straten en gebouwen stroomt het water van de Donau grijsbruin. De zandkleurige huizen staan in onverslaanbaar daglicht, in een taal die ik niet spreek. Zo ben ik de vreemdeling die dwaalt over de bruggen, mijn ankers op het water dat steeds terugkeert langs de gebouwen in kleuren die zo zacht zijn. Zo hoopvol.

Hoe zal ik me bewegen in deze stad met patronen, hekwerk en ornamenten. Waar de kleuren zo zacht zijn. Zo ben ik de toerist die alle rijkdom omarmt,  de geschiedenis slikt, die dwaalt langs gebouwen. En onder de bruggen -mijn ankers over het water – dat steeds terugkeert, stroomt het water van de Donau, bloedrood langs huizen in kleuren die zo zacht zijn, zo geel en zo licht.

 

Wilma Eleveld

 

Hoopvol

Hoe vaak had ik deze weg al niet gelopen. Hoe groot was mijn ergernis als ik in de armoedige straat het straatvuil zag op de grond voor de Turkse supermarkt en de ontelbare blikjes en plastic zakken op mijn weg van en naar mijn huis. Soms pakte ik ze op, maar vaker liet ik ze achter me. Vandaag was het licht op mijn weg anders. Ik keek daardoor anders en zag vooral de sneeuwklokjes, de krokusjes en de knoppen in de tuinen. Ik hoorde een merel zingen. Daar was ineens de lente. Het nieuwe geluid. Misschien wat vroeg, maar ze was er. Zij kietelde mijn energie. Zij daagde mij uit. En tintelde onder mijn voeten.

Die vertraagden toen ik de straat overstak. Omdat de weg iets om hoog liep kreeg het schouwspel aan het einde iets onwerkelijks en steeg als een decor boven mijn laan, het gouden zonlicht vermengd met rood, oranje en een zacht broeierig licht. Het vervulde me met verbazing. Ik voelde een oneindig vertrouwen in mij op laaien. Vertrouwen in mijn toekomst, in mijn kinderen en vertrouwen in de wereld. Vertrouwen in de schoonheid van het leven.

In de maand voorafgaand aan deze ervaring was ik somber gestemd. Het klimaat, de berichten hierover in de krant, de donkere en regenachtige januarimaand, mijn strubbelingen op mijn werk, en een somber gevoel over de wereld met al zijn pathos had me in zijn greep. De onverwachte dood van een vriend. De vreemde, wat pessimistische stemming bracht eerder wantrouwen dan vertrouwen.

Vertrouwen is een waarde die mijns inziens in ons leven en in onze samenleving te vaak een marginale rol speelt. We zijn bang, maken ons zorgen en denken voortdurend dat er gevaren spelen. We verliezen ons in fragmentarisch denken en verdrinken in de duizenden boodschappen en details die gedurende de gehele dag op ons afstormen. Er worden veel harde maatregelen getroffen om het vertrouwen de baas te blijven -vooral binnen zorg, welzijn en onderwijs- willen we het vertrouwen regelen. Deze regelkant doet vaak tekort en genereert nog vaker wantrouwen. En helpt de hoopvolle blik om zeep.

Ik las onlangs: Niets verwachten, alles hopen en aanpakken. Dat zou mijn levensmotto kunnen zijn. Vooral het aanpakken naar aanleiding van hoopvol gestemd zijn. Hoop is voor mij dan een onmisbaar ingrediënt om te kunnen leven.

Afgelopen weekend zag ik op het Groothoofd (daar waar drie rivieren samen komen op het eiland van Dordrecht) dat het water goud met blauw kleurde. Ik wilde het vastleggen maar dat lukte niet. Even later liep ik langs een brugwachtershuisje. Daarbinnen hingen 2000 kleurige bootjes, origami, door twee kunstenaar gevouwen. Ze kleurden goud, rood, roze, oranje en blauw en op het Japanse papier stonden afbeeldingen van kraanvogels en Japanse kersenbloesem. Deze afbeeldingen staan in Japan symbool voor hoop en vertrouwen De schoonheid van de plek, de bootjes, het werk, de aandacht die ik terug zag, de kleuren en de zon die scheen, het brugwachtershuisje dat weer een functie kreeg. Ik zag de boodschap van deze twee vrouwelijke kunstenaars als een school van de hoop.

Niet in elke traditie wordt de hoop omarmd of gestimuleerd. Voor de een maakt hoop het leven dragelijk. Voor een ander roept het verkeerde associaties op. Binnen het christendom is de hoop een deugd, dat wil zeggen een innerlijke houding die het fundamentele vertrouwen uitdrukt waarmee een mens of een gemeenschap de toekomst benadert.

Als we ernstig ziek worden hopen we op genezing. Als we dreigen ten onder te gaan hopen we op een wonder. Als we ten einde raad zijn, hopen we op betere tijden.

Hoop staat mijns inziens  haaks op verwachten, in tegenstelling tot wat vaak gedacht en gewild wordt… Vertrouwen gaat denk ik vooraf aan hoop en het gevolg van dat vertrouwen is een hoopvolle blik. Verwachtingen missen het mysterie terwijl hoop en vertrouwen juist het mysterie in zich dragen.

Ik relateer een hoopvolle toekomst aan het geloof dat er altijd een andere kant is van de medaille. Dat we elkaar kunnen ontmoeten op een kruispunt als er narigheid is. Ik pleit hierbij voor horizontaal en verticaal kijken. Deze manieren van kijken bieden samen zicht op het volledige plaatje.  In de wetenschap dat alles met alles samenhangt, kunnen we dan niet anders dan gaan voor een gezonde, duurzame en eerlijke koers in ons leven. Voor een hoopvolle toekomst. In de wetenschap dat we elkaar nodig hebben kunnen we niet zonder die horizontale blik, die verder kijkt dan alleen naar eigen behoeften. Deze manier van kijken met aandacht en lef maakt zichtbaar. Het ware leven zou doortrokken moeten zijn van hoop, van leven en van optimisme. Hoop is immers een reflectie van optimisme. Ik las een tekst die eigenlijk erg somber is, maar daar hoopvol bij past;

De groene ziel die leven zoekt

Daar waar alleen

Verschroeiende hitte is en troosteloosheid;

De vonk van vuur die zegt

Alles begint als ogenschijnlijk

alles verkoolt

Eugenio Montal

Vriendschap

Soms lukt het elkaar te vinden in een beslissend moment.
Er moet sprake zijn van een klik, een soort van connectie. Er is sprake van een contactpunt, dat op diverse lagen kan zitten. Er is sprake van liefde en soms ook haat en een soort van verliefdheid. Zo dient de meerlagige trouwe vriendschap zich aan. Zo weet ik dat een vriend een heuse vriend is geworden.

Is er een motto, een voorbeeld? De kleine zwart-wit fotootjes getuigden van mooie momenten met zijn vrienden. Mijn vader kende een levenslange vriendschap. In zijn geboortehuis leerde hij zijn hartsvriend al kennen. Ze sprongen samen slootje, maakten vuurtjes, waren ondeugend en verkenden de weilanden om hun huis. Ze groeiden op naast elkaar in de zelfde straat. Zijn vriend was de zoon van de bakker, mijn vader de zoon van de bouwer. Ze konden lachen samen. Hadden hun eigen taal. Waren levensgenieters en ontvluchten het huis waar ze opgroeiden samen.
Ze gingen samen in militaire dienst. Ze verloofden zich, trouwden en kregen kinderen. De gezinnen gingen samen op vakantie in de jaren 60.
Mijn vader werd bouwer, zijn vriend hoofd van de school.
En toen sloeg het noodlot toe. Zijn vriend kreeg MS. Op 50 jarige leeftijd zat hij in een rolstoel. Mijn vader bleef een trouwe vriend. De vriendschap behield iets ongecompliceerds. Er werd veel gelachen. Soms gekaart, soms gedronken, soms gepraat. Er was nog steeds een eigen taal en hun echtgenotes bogen mee met de vriendschap. Samen gingen ze elk jaar naar een aangepast zomerhuisje. Mijn vader duwde de rolstoel en organiseerde de excursies. Ze bleven elkaar trouw ontmoeten totdat de vriend ongeveer 6 jaar geleden overleed. Nog steeds bezoekt mijn vader zijn echtgenote en leeft mee met zijn kinderen.

Meester Toshiro Kanamori is een leraar uit Japan. Hij hanteert een bijzondere aanpak in de klassen waaraan hij les geeft. Hij leert de kinderen brieven schrijven aan elkaar waarin ze hun gevoelens verwoorden.
Zijn doel is kinderen te leren om samen gelukkig te zijn, door zowel hun eigen sterke kanten als die van hun vrienden te vergroten. Door de dingen die Kanamori zelf heeft meegemaakt, hij verloor twee kinderen, weet hij hoe waardevol het leven is.
Het gaat in de film over gelijkwaardigheid, elkaar vinden in iets. Verlies speelt een rol. Dat het leven geen garanties geeft. Geven en nemen en gunnen. Samen genieten, samenwerken, over samen doen, samen spelen. Eigenlijk zou ik iedereen zo’n geweldige levensles gunnen. Hoe wonderschoon is het als jij op 10-jarige leeftijd al weet hoe je vriendschap maakt.
Ik keek naar deze film van ongeveer 50 minuten uit 2006 die onlangs op mijn pad kwam. De levenslessen van een Japanse schoolmeester. Te bewonderen op Youtube:

https://www.youtube.com/watch?v=umOHxEy1qig\

Kent vriendschap een definitie of een moraal? Ik denk dat het een grote gunfactor kent. En geklaag en gemopper kan een vijand van vriendschap worden. Verraad lijkt me niet wenselijk. En vriendschap kun je leren…..

Woedend waren we, mijn tweelingzusje en ik. Onze vriendinnen hadden de ceinturen van onze nieuwe jassen gestolen. We hadden gerend en gerend om ze terug te krijgen en ze lieten ons gefrustreerd achter, want ze waren sneller dan wij. Teleurgesteld snelden we naar onze moeder. Je lost het zelf maar op zei ze. De ceintuur kregen we pas dagen later terug. Ik weet niet meer hoe.
Een jaar eerder hadden we bloed uitgewisseld. We prikten in elkaars vinger en mengden ons bloed, geïnspireerd door de boeken van Enid Blyton werden we bloedvrienden. Mijn zusje deed het met haar vriendinnetje en ik met de mijne, het was een intieme daad. We moeten een jaar of 8 geweest zijn. Een jaar later, na het incident met de ceintuur voelde ik me verraden door deze vriendinnetjes. Het verraad zette me aan het denken over vriendschap. Ik was te jong om te weten wat er niet precies klopte, maar er was een vaag ethisch besef.
Vele jaren later werd ik nog eens verraden. Verraden door een vriendin die het bed deelde met mijn toenmalige lief. Het was in de jaren 80 toen alles kon. Alhoewel ik mijn twijfels daar over had.

Welke vriend blijft en welke vriend gaat? Welke vriend kan een steun zijn, welke vriend juist een last als het er op aan komt….. Welke vriend kiest het hazenpad. In de vriendschap schuilt de ander en de vreemde. Soms is dat onuitstaanbaar. En soms maakt me dat onbekwaam als vriendin. In de vriendschap schuilt dan levensgroot mijn beperking.

In de vriendschap schuilt altijd de angst om te verliezen. Maar dat maakt de vriendschap ook aantrekkelijk. Het ongewisse, de vraag: ben ik in staat om te blijven, als het er op aankomt ben ik dan in staat of bereid om de ander op te vangen, te volgen of te zien? En is de ander dat dan ook….

Sommige vriendschappen zijn gebaat bij doen en bij lichtheid. In hun ongecompliceerdheid zijn ze onweerstaanbaar. Ik heb talloze lichte vriendschappen gekend, die mijn leven in en uit wandelden. Vrijblijvendheid, leukigheid en afstand, speelden een rol; bij die gratie kan soms een vriendschap bestaan.
Soms collegiaal, soms omdat het moest, soms ongewild en soms omdat ik van baan veranderde of van levensstijl.

Sommige vriendschappen zijn gebaat bij plagerij, debatten en discussies. En sommige vriendschappen zijn helaas gedoemd om te mislukken en eindigen met ruzie of bloeden dood. Omdat ze incompleet zijn. Of te gecompliceerd of omdat ze niet meegroeien, of omdat er sprake is van afgunst of kwaadsprekerij of omdat ze fungeren als decorstuk. Of omdat er sprake is van ongelijkwaardigheid of egocentrisme. In de vriendschap schuilt de beperking. De verrassing en de spiegel. De lach en de traan volgens vele smartlappen. En natuurlijk ook het onvermogen….

Ongeveer een jaar geleden werd ik uitgedaagd. Het moest er maar es van komen.
Deze blog over vriendschap. Misschien schuilt in het samen doen en het genieten: van lekker eten, van een film, een verrassend gesprek of een wandeling wel de meest haalbare vriendschap.
Telkens weer ontmoet ik mijn lieve trouwe vriendinnen van wie ik de meeste al meer dan 20 jaar ken… met die blik en die gedachten. Heel soms voel ik me terneergeslagen over de beperking van het contact, die zichtbaar kan worden in een ontmoeting maar meestal ben ik blij na waardevolle momenten, de etentjes, de wandelingen, de gesprekken die ik heb met mijn vriendinnen. Zij vormen een deel van de sjeu van het leven. Laten we toasten op de vriendschap deze maand.

Skyspace

Niet hoe de wereld is, is het mystieke, maar dat zij is.

(Ludwig Wittgenstein)

 Elke zondagochtend zagen wij als gezin hoe een optocht van auto’s het gras kapot reed onder de hoge beuken tegenover ons huis. Een licht gevoel van nijd kon me overvallen, wanneer ik als puber op zondagochtend vanuit mijn slaapkamerraam deze kerkgangers beschouwde, die doelbewust uit hun auto’s leken te stappen en de kerkdienst bezochten aan het einde van de laan waar ik woonde. Het pad naar de mooie Nederlands Hervormde Stefanuskerk met de puntige toren die bekroond werd met een haantje, liep licht omhoog, waardoor de kerk majestueus uittorende boven de mensen die hem bezochten. Soms vroeg ik me als toeschouwer af of al die mensen werkelijk in God geloofden en daar een beter mens door werden. Ik voelde ook afgunst. Dat ze hun religie omarmden en dat die antwoord gaf op al hun vragen, de fundamentele vragen waar ik ook mee worstelde, als puber en later als adolescent. Dat ze regelmatig samen kwamen op een plek, waar ze wellicht gezamenlijk hun gedachten konden ordenen onder toeziend oog van een hogere macht. Mij leek dat toen wel wat.

Op die mooie kerk hadden we het beste uitzicht als we de laan waar we woonden van de andere kant in reden. Zo werd hij ook gewaardeerd door onze ouders: als een prachtig gotisch bouwwerk uit de 14e-16e eeuw. Niet als een huis van God, waar mensen antwoorden leken te vinden op hun vragen, maar als een sluitstuk van onze rustieke laan waar wij goed zicht op hadden.

Er schijnt bij jonge mensen een grote behoefte te zijn aan een collectief verhaal, dat verbindt en antwoorden kan bieden op existentiële vragen. In alle verscheidenheid en drukte die we tegenwoordig tegenkomen in de wereld, worden we geconfronteerd met onszelf en met de ander. Dat roept vragen op. Hoe verhouden we ons tot elkaar? Hoe verhouden we ons tot onze kwetsbaarheid, tot onze moedeloosheid ten aanzien van al die verscheidenheid en drukte die op ons af komt? Mijn verlangen naar een remedie om die wereld werkelijk te kunnen aanschouwen en te beleven, doet me graven in een beperkt religieus verleden en zoeken naar een oriëntatiekader.

Ik reken mezelf tot de generatie die meende het bestaan te kunnen doorgronden, de generatie met ouders die vruchten plukten van de enorme groei van de laatste decennia, die ook economische malaise kenden, de generatie die opgroeide met weten, kennis, vanzelfsprekendheden en hedonisme en ook met zoeken, met vragen, met egocentrisme en materialisme en met een grote existentiële angst voor de dood, voor het “nog niet genoeg”. De generatie na mijn ouders – die al waren begonnen met afscheid nemen van belangrijke christelijke waarden en tradities – verbrak in de jaren zeventig en tachtig voorgoed de banden met de kerk en met de tradities die eeuwenlang een bron van troost, zin en betekenis hadden geboden tegenover kwetsbaarheid en vragen en tegenover de eindigheid van het leven.

De Stefanuskerk wordt inmiddels niet meer bezocht door kerkgangers, ontdekte ik onlangs, maar door kunstminnende mensen tijdens concerten of tijdens Het Feest van de Geest, een happening die elk jaar in mei op meerdere plekken in Nederland georganiseerd wordt. Kerken worden dan een plek waar kunstenaars hun werk laten zien rond een thema. In zo’n kerk kan kunst betekenis krijgen door mensen een gezamenlijke ervaring te bieden en het gekozen (spirituele) thema van dat jaar verbeeld te zien. Er is zoveel lijden in deze wereld dat een dergelijk houvast gewenst lijkt. Kunst toont vaak de schoonheid van onze beperkingen en onvermogen, en de rauwheid ervan.

Door de tentoonstelling “Stage of being” in museum Voorlinden in Wassenaar, die ik bezocht, werd dat bevestigd. De presentatie in Voorlinden start met een imposant schilderij van Robert Zandvliet. Het schilderij lijkt een menselijk silhouet te tonen in een gelaagd landschap. In het schilderij zie ik een eenzame mens, maar ook twee figuren die zich tot elkaar verhouden….twee gezichten? Misschien is dat de essentie van onze zoektocht, dacht ik, de constatering dat de mens die onontkoombaar alleen is, de optimale verhouding tot de ander zoekt en deze maar al te vaak niet kan vinden, de zoektocht naar onze relatie tot de wereld. Ik las in de introductietekst van de expositie: “Het wezen van de kunst is misschien wel het bezweren van de existentiële menselijke angst. Kunst kan de mens een spiegel voorhouden, soms rechtstreeks, rauw en confronterend. Soms indirect, subtiel verpakt ons aanzetten tot nadenken over wie we zijn en wie we zijn in onze relatie tot anderen. De vragen: Waar komen we vandaan? Wat doen we hier en waar gaan we naartoe?”

Sommige beelden waren overweldigend. Ik had me even afgezonderd om die beelden te verwerken. Zo was ik – onbewust – beland bij de zogenaamde highlights van het museum. Het meeste indruk maakte op mij Skyspace. Speciaal voor Museum Voorlinden ontwierp James Turrell deze ruimte met een vierkant gat in het dak, waardoor je recht naar boven kijkt, naar de lucht, the sky… Ik ging er zitten op de houten bankjes rondom. Aanvankelijk met gesloten ogen. Maar het vierkant gat in het dak trok me uit mijn mijmering. Het hout contrasteerde met het blauw van de lucht. Het vierkant bood rust aan de ruimte en bood zicht op buiten en de steeds veranderende hemel. Dat alles omvattende gewelf dat normaliter altijd vanzelfsprekend aanwezig was, was nu ingekaderd. Het besloten moment bood tijd, buiten de tijd om.

Samen met nog enkele mensen zat ik daar en door de gedeelde ervaring ervoer ik een sterke verbondenheid. We keken allemaal naar boven, in de stilte, naar de omlijste lucht, die opeens bijzonder was, licht en helder. Ik voelde me door het gat gezogen en even, terwijl ik mijn ogen sloot, leek het of ik door de ruimte zweefde, het eindeloze blauwwit in. Het was een ervaring die me zomaar overkwam. En later, weer terug in het intieme, mooie museum, moest ik bijkomen en vooral weer terug komen in een andere tijd, een tijd die realistisch was, waarin ik mezelf de vraag stelde: Hoe een regenbui deze ervaring had kunnen veranderen, en of er dan een luik voor het gat zou verschijnen?

Betekenis zoeken in dagelijkse dingen is van alle tijden. We zoeken houvast in rituelen, in terugkerende momenten van verbondenheid, die we overigens zelf kunnen creëren. Dat we op zoek gaan naar tegenwicht, in deze hectische wereld, is niet zo gek. Dat ik blij kan zijn met mijn eerste kopje koffie op een vrije dag, dat ik ontroerd kan zijn door het licht van de zon dat over de muur sprankelt in mijn woonkamer, dat ik geniet van de geur in het bos na een regenbui, dat ik houd van de roman, die zo knap geschreven is dat hij mij helemaal “opneemt”, dat de vragen soms antwoorden bieden waar ik ze niet verwacht, lijkt amper genoeg.

We zoeken een zinvolle dagbesteding en vinden voldoening in (vrijwilligers)werk wat er toe doet, in moeilijke klussen die erkenning bieden – waar we niet altijd ‘zin’ in hebben. We verliezen ons soms in teveel en vinden dan ontspanning in een vrijetijdsbesteding: sport, wandelen in de natuur, yoga op een matje, meditatie op een kussen, gebed op een kleedje of een bankje, koken in groepsverband, knutselen, klussen aan ons huis. We zoeken voldoening in het creëren: zingen, fotograferen, muziek maken, bakken en schilderen. We zoeken afleiding in sociale media, in de beeldendrukte op het net, in informatie die in grote stromen op ons af komt, in onze selfies, in de verheerlijking van ons leven. “Het lijkt een merkwaardig verschijnsel dat de zinsvraag zo onuitroeibaar opspeelt in onze geseculariseerde wereld. De dreigende zinloosheid van het leven sijpelt door de kieren van het zelfgenoegzame leven”, zegt Dirk de Wachter.[1] De moderne mens zoekt tevergeefs een soelaas voor zijn menselijk tekort en zijn onvermogen om dat tekort te accepteren, lijkt de kern van zijn boodschap. We zoeken houvast en vallen om.

Om ons te oriënteren op existentiële vragen, zegt Taylor[2], hebben we oriëntatiekaders nodig. Taylor heeft het over “visies van het goede.” Cultureel gewortelde beelden van een goed – rechtvaardig, waardig vervuld of zinvol- leven: zij kunnen de toetssteen vormen voor ons handelen. Volgens Taylor heeft de spiritualiteit van vandaag de dag iets te maken met streven naar of oriëntatie op het ultieme goede. In het boek van Taylor lees ik een citaat van Vaclav Havel, die terwijl hij in de gevangenis zit, een moment van openbaring beschrijft, waarin hij een gevoel van verzoening ervaart, een “duizelingwekkende gewaarwording.“(…)Onder ogen zien wat onder ogen moet worden gezien, hoe ik de vreugde ervaar over een ultiem in harmonie zijn met de wereld, met mezelf, met het moment. En dat ik kan leven met het onzichtbare, dat erachter ligt en dat betekenis heeft, maar dat we niet of vaag kunnen benoemen (…).”

Zijn gevoel van verzoening, kennelijk opgeroepen door een langdurige opsluiting, waarbij er nauwelijks impulsen waren en voldoende stilte en ruimte voor reflectie, roept iets van tijdloosheid op. Voortbordurend op deze ervaring van Havel, herken ik een moment van “volledig ervaren”. Een ervaring van tijdloosheid kan immers worden ingegeven door stilte. We ervaren iets volledig als onze zintuigen allemaal aan staan, als we aanwezig zijn. Het volledig ervaren roept dan bijna vanzelfsprekend het lastig benoembare op. Zo’n ervaring kan vernieuwing bieden, verwondering en vragen oproepen.

Om zicht te krijgen en te houden op de zin van die mens van vlees en bloed met al zijn dromen, zijn angsten, zijn verlangens en teleurstellingen, moeten we misschien op zoek naar een nieuwe vorm van gemeenschap waar we elkaar de hand kunnen reiken. Het zou wel eens één van onze urgentste doelen kunnen zijn: ons te leren verbinden aan de menselijkheid en die menselijkheid te leren zien, want al het menselijke om ons heen vraagt vrijwel dagelijks om gezien te worden. De Wachter, die zich baseert op Levinas, verwoordt dit als volgt:“En daarbij mogen we niet vergeten om te zien naar De Ander. De Ander vertoont mijn schijnbare gemoedsrust en deze lastigheid zet mij aan tot antwoord. In die verantwoording verschijnt de zin”.

Ik leer mijn studenten op de opleiding Sociaal Werk, die mensen tegen komen die in al hun kwetsbaarheid gedesoriënteerd zijn, het belang van verbinding. Ik kan constateren dat het noodzakelijk is om verbinding te zoeken en om dat zo te doen, dat ze leren omgaan met kwetsbare mensen en met zichzelf als een net zo kwetsbaar mens. Dat ze daarmee misschien een tevreden verhouding leren te vinden tot de kwetsbaarheid van het bestaan. In deze wens constateer ik evenzo dat we “onhandige modderaars” zijn. We zullen moeten leren leven met onze eigen beperking en met die van de ander.

In mijn zoektocht naar zin ben ik mezelf – voorzichtig – een spiritueel humanist gaan noemen. Iemand die gelooft in de menselijkheid en zoekt naar ‘het goede’ in zijn reacties op de wereld. Een mens die de mogelijkheid vindt en zoekt om te ontsnappen aan het dagelijkse door vertraagde tijd te vinden in kunst, in stilte en in natuur. Een mens die verwondering en verbinding vindt in betekenisvolle momenten, in het licht van het ‘grootste’ geheel. Een mens met een bescheiden vraag, in navolging van Montaigne, de eerste denker die zichzelf in zijn essays als onderwerp nam, en het ooit zei: “Wat weet ik?”

[1] De wereld van de Wachter door Dirk de Wachter (2016)

[2] Een seculiere tijd: geloof en ongeloof in de wereld van nu door Charles Taylor, Rotterdam (2009)

Vergankelijk

Elk blad valt anders. In een niet te voorzeggen tel.

God, het is herfst, ze komen vroeg of laat

dus allemaal aan bod. Maar welke het eerst en hoe?

Doet dat ertoe, bijvoorbeeld voor de bomen zelf?

Nu de temperatuur zakt, word ik overvallen door een verlangen naar oktober, de maand waarin ik een jaar ouder word en het definitieve afscheid van een lange zomer zijn intrede doet. De maand waarin de bomen kleuren, de dagen vochtig geuren en de bladeren vallen en waarin ik me van oudsher graag wentel in herinneringen en trage gedachten over het heden of verleden. Ik lees  in de krant een versje (Oktoberversje)  gemaakt door Désanne van Brederode, hierboven de eerste strofe. Mijn gedachten over die daadwerkelijke herfst worden ingegeven door deze woorden.

De (jonge) mensen die ik spreek, via mijn kinderen of mijn werk, confronteren me voortdurend en laten me stil staan bij het pad dat wordt bewandeld, dat afbuigt, als je er niet op bedacht bent, dat daalt, klimt of kronkelt langs de plekken die we vergeten of willen vergeten, langs de schoonheid die verzwakt, of verkleurt, langs de plekken die we bewaren of koesteren, waarna we het pad vervolgen voor we er vat op krijgen, dat stemt melancholisch.

Op een symposium vorige week ontmoette ik een vakantievriendje van mijn zus, van 40 jaar geleden, die me diezelfde nacht wakker laat liggen. Wie was ik toen en wie ben ik nu? Welke keuzes maakte ik? Wat heb ik geleerd en wat heb ik nog te leren? En dan is er het ophangen van de foto. Het lijkt een daad van bevestiging. Ik hang hem aan de muur in mijn woonkamer. De kleine zwart-witte foto van mijn moeder, die deze dagen steeds weer mij naar zich toe trekt, tot ik hem even in mijn handen neem en er naar blijf kijken totdat mijn ogen pijn doen. In haar witte verpleegstersuniform, zit ze op een krukje ergens buiten. Ze oogt jong, mooi en sterk en kijkt vragend de camera in, haar mond in beweging, alsof ze iets wil zeggen. Achter haar schijnt het licht door de bomen, die niet helemaal kaal zijn en ook niet dicht bebladerd. Het zal lente zijn, vermoedelijk, want haar armen lijken gebruind in de korte mouwtjes van haar jurk. Haar smalle taille wordt geaccentueerd door de jurk en ik herken in haar ranke polsen die leunen op het bankje, die van me zelf. Het is een hoopvolle foto en hij roept vragen op. Wie neemt de foto? Met wie was ze daar. Kende ze mijn vader al? Wat maakte haar daar zo gelukkig? Wie was mijn moeder toen?

Ik weet niet wie ze was, ik weet niet meer wie ze was voor ze werd wie ze nu is, ik weet niet meer wie ze nu is. Ik vraag me af of ik haar ooit heb gekend. De foto troost me. Dat het leven haar heeft toegelachen, dat ze toen niet wist hoe haar blad zou vallen. Dat ze mooier was, dan ze zelf wist en dat ik haar leer kennen door haar in te vullen.

Mijn moeder is dement. Haar ziekte nadert een eindpunt. Ze heeft al meer dan 10 jaar Alzheimer. Haar blik is leeg. Haar handen zijn gerimpeld en gevlekt. Haar buik is dik en met een goedlachs ingevallen kindergezichtje met een lege blik pakt ze mijn hand als ik aan haar denk.

En dat er kracht was, voor alle broosheid, op het pad dat er al lag, dat doet er toe.

 

Tussentijd

Het was hoogzomer. Een snikhete julidag.
We hadden een goed gesprek, mijn zoon en ik. Alles leek te duiden op tussentijd. We hadden het allebei erg druk gehad. Hij zou de volgende dag de laatste handelingen aan zijn bachelor scriptie leggen en ik had nog een weekje te gaan voor mijn vakantie begon.
Nadat we in de drukke binnenstad ons een weg hadden gebaand met de metro en de stoffige en overvolle Schiedamseweg achter ons hadden gelaten, waar mijn zoon sinds kort (in hartje Delfshaven in Rotterdam) een kamer had gevonden, ploften we neer aan het mooie grachtje in het oude Delfshaven, waar we heerlijk aten. Op een ponton in het water onder de parasols was het goed toeven. Een oase van rust. We dronken op ons in het zicht zijnde tussentijd.

Mijn zoon vertelde me waar hij mee bezig was. Hij was net verhuisd van Wageningen naar Rotterdam en zou komend jaar aan zijn tussenjaar beginnen, dat vol zat met activiteiten als voorbereiding op zijn master. Hij was zichzelf aan het zoeken en vinden op alle fronten.
Ik werd teruggeworpen in de tijd door zijn verhalen. Mijn eigen volwassenwording werd onderwerp van gesprek. De sporen die ik in Rotterdam had liggen en mijn zoektocht naar mezelf als een soort van overgang naar mijn werkelijke leven. Een tussentijd die ik nodig had om dat werkelijke leven, met de echte klok aan te kunnen. Die tussentijd stond in het teken van onderzoek, kwetsbaarheid en een vooral zoekende houding.

Tussentijd. Het was een titel van een hoofdstuk in Swing time, van Zadie Smith. Een prachtige roman over de volwassenwording van twee zwarte meisjes in een arme wijk in Londen.
Ik was al enkele weken eerder teruggeworpen in die tussentijd, toen ik na 20 jaar twee oud-collega’s opzocht die mij hadden opgespoord via internet. Zij waren mijn eerste echte collega’s tijdens mijn eerste echte baan in de psychiatrie, die ik aanvaardde toen ik een jaar of 23 was. Tijdens de lunch die we gezamenlijk nuttigden moesten we 22 jaar overbruggen.  Dat kon eigenlijk niet. En toch ook weer wel. Ik had ze voor het laatst gezien bij de geboorte van mijn zoon.  De overgangen die een mens maakt in een leven zijn talrijk. Vaak maken we ze niet zo bewust. We staan op en starten de dag, we nemen drempels, waden door rivieren, we vergissen ons en keren terug of slaan iets over of slaan af. We stappen in een trein of missen hem net of stappen juist uit de trein of kiezen een vliegtuig.
Ik vond het  interessant om mijn eigen ontwikkeling onder ogen te zien en voelde me tevreden over de reis die ik gemaakt had en over de vrouw die daar aan tafel zat.
Mijn letterlijke overgang was een periode waarin ik mezelf moest herijken, die gepaard ging met nogal wat opvliegers en stemmingswisselingen en onzekerheden.  Als je door de overgang bent vind je een vernieuwde versie van je zelf, las ik ergens. Sommige vrouwen noemen het de beste tijd van hun leven.  Ik geloof dat  tussentijd een tijd van vrijheid en hervinden kan zijn. Misschien zoek ik dat, want wanneer is een mens eigenlijk echt vrij om te doen wat hij wil? Om te vinden wat hij wil?
Ik ga vanaf november een dag minder werken. Mijn huis opruimen, ontspullen, onthullen, tijd voor reflectie op een volgende stap. Hervinden. Tussentijd vinden.
Vakantie kan ook tussentijd zijn. Heerlijk. Het hoofd leeg maken en genieten van zintuiglijke ervaringen. Lezen. Broodnodig, die tussentijd!

Tweeling

Ik had haar 10 minuten eerder met mijn kleine zachte babyvoetjes uit de baarmoeder getrapt. Haar hoofdje was licht afgeplat en ik eiste op die manier mijn ruimte op en kwam in stuitligging ter wereld.

Een zwangerschap bood nog verrassingen in de jaren 60.Toen mijn moeder in het kraambed lag, en mijn zusje was geboren, constateerde de arts die mijn moeder bij haar bevalling begeleidde, dat er nog een kindje in haar buik zat. Mijn zoektocht begon in de baarmoeder. En 10 minuten nadat mijn zusje ter wereld kwam, werd ik volkomen onverwachts geboren. Mijn moeder die al een baby van een jaar had (mijn oudste zus) moest zich snel en geschrokken schikken in dit lot, nadat ze ons 9 maanden als één kind gedragen had. Mijn zusje kreeg op 26 oktober 1960 het eerste geboorterecht. Zij lag als eerste in het bedje, dat mijn vader in tweeën deelde met een plankje, waardoor er voor mij ook een plekje werd gemaakt.
Toen we ongeveer een half jaar waren, kroop ik elke nacht over het schotje om dichterbij mijn zusje te zijn, op zoek naar de veiligheid die ik in de baarmoeder had ervaren. Tot dat mijn moeder ons in twee verschillende bedjes legde en die resoluut uit elkaar schoof.

Het was een gekke ervaring. Mijn zusje was een ander en ook dezelfde als ik. We droegen dezelfde kleren in andere kleuren. Ons haar was even onhandelbaar. Onze voorkeur of afkeer voor bepaald voedsel was identiek, ons lichaam was even mollig, onze handjes en beentjes even bruin van het spelen in de zandbak. Onze taal was de eerste 4 jaar vastgelegd in een spel, waar niemand tussenkwam, in een taal die ons een uitzicht bood op de ander, vaak zonder woorden. Op straat en in de zandbak achter ons huis liet ik me leiden door mijn zusjes fantasie. Ik spiegelde mijn handelen aan haar handelen. Ze leerde me lopen, tekenen, fietsen, steppen en praten en beschermde me voor grote honden. Onze geboorterangorde bepaalde ons temperament. In de box streden we om het speelgoed. De wortels voor rivaliteit zijn daar gelegd. We ontwikkelden een gezamenlijk evenwicht dat ongeveer 4 jaar duurde. Op de kleuterschool besloot mijn zusje voor het eerst aan mijn verlangen aan het samenzijn te ontsnappen. Haar voorsprong van 10 minuten uitte zich in een verlangen naar onafhankelijkheid. Die voorsprong liet ik pas veel later achter me. Nog jaren later bleef ik zoeken naar iemand die net zo dichtbij kon komen als mijn zusje in de eerste 4 jaar van mijn leven.

Vroeger las ik en herlas ik Onder moeders vleugels van Louise May Alcot. De zusjes March waren keurig gescheiden naar gelang uiterlijk, temperament en talent. De zussen Meta, Jo, Bets en Amy hadden een magische aantrekkingskracht op me, met name om hun duidelijke bepaling van individuele rollen in het gezin. En om hun zusterschap. Het gevoelsmatige, vanzelfsprekende karakter dat zusterschap kan hebben herkende ik.

Natuurlijk was Jo mijn heldin. De pittige robbedoes met de scherpe tong die haar professor Baehr vond onder een paraplu in de regen….
De ontwikkeling van mijn identiteit, naast die van mijn zussen vormt een belangrijke zwerftocht in mijn leven. Ik werd lichtvoetiger, frivoler, rebelser dan mijn zusje en wilde dat ook graag zijn. Nu kan ik zeggen dat dit voortkwam uit een verlangen om me te onderscheiden van haar.
Mijn wereld leek verloren toen ik na de brugklas een andere school ging bezoeken dan mijn zusje. Het woordje “we” moest ik gaan vervangen door ” ik”. Toch was dit achteraf gezien het beste wat mijn moeder (toen al) met haar heldere blik had gezien. We waren beter af afzonderlijke van elkaar en konden eindelijk onze eigen identiteit ontwikkelen. In de puberteit uitte deze zoektocht zich in een aantrekken en afstoten. Op ons 19e gingen we samen op interrail. Het was onze laatste reis samen. Mijn zus nam de lead en we zagen alle musea in Italië. Haar schetsboek was haar partner. Mijn taal lag toen nog te wachten op mijn tong. Haar tekentalent was een belangrijke richtingsgever.
Het dieptepunt in mijn relatie met mijn tweelingzus volgde in de jaren daarna. Omdat ik mijn taal nog niet gevonden had, wist mijn zus al het slechte in mij naar boven te halen tussen mijn 20e en mijn 28e. Mijn opkijken en haar neerkijken naar mij, mijn rivaliteit en neerbuigende gevoel over mezelf, wilde  ik uitvechten met haar. Gevoed door mislukte liefdesrelaties en therapie stond ik briesend voor haar. En zij begreep er weinig van.
Ik was enorm jaloers op haar. Zij leek me verstandiger, wijzer, intelligenter en artistieker. Als reactie daarop probeerde ik artistiek te zijn in mijn extravagante uiterlijk, mijn rebelsheid, mijn relaties, mijn onvermogen om te vertrouwen op mezelf om op eigen benen te staan. En ik kon het niet uitstaan dat zij het wel leek te kunnen.

Ik heb in de jaren daarna mijn eigen taal gelukkig gevonden. Toch kan ik het levenslange proces van beïnvloeden van elkaars leven nog steeds ervaren. Mijn zusje koos indirect de mannen die een grote rol speelden in mijn leven. Ook de man met wie ik nu al bijna 25 jaar samen ben.
Elk perspectief krijgt zijn charme als je daar iets van leert. Het perspectief van mijn zus was anders. Niet beter dan het mijne, weet ik inmiddels.

Mijn talent voor aanpassen, flexibel invoegen, afstemmen op mensen en een vaak feilloze intuïtie voor sferen en (on)voorspelbare situaties, voor anticiperen op toekomstige gebeurtenissen is uit ons tweelingschap geboren.

Ik houd erg veel van mijn zus. Onze gemeenschappelijke taal vindt zich een weg als wij ons diep verbonden voelen. Meestal behoeft dat geen woorden.

Opmerkelijk

Soms hoef je niet ver te reizen om de wereld te ontmoeten en verrast te worden door onbekende mensen om je heen. Toen ik s ‘avonds mijn bed op zocht, en mijn lief vertelde over de eigenaardige gebeurtenissen van die dag, dacht hij dat ik het ter plekke verzon.

De dag startte al anders.
Een meisjesstem gilde: “Mama, moedertje. Hellup!” Letterlijk in die volgorde.
Mijn moederhart schrok er van.
Ik stapte net onder mijn ochtenddouche vandaan om me af te drogen toen ik buiten die meisjesstem heel hard hoorde gillen.
Aanvankelijk staakte ik mijn afdrogen, het gillen was hard en doordringend.
Het gillen hield aan en ik schoot in mijn badjas en ik vloog enigszins ongerust naar de slaapkamer van mijn zoon, die met erker, een goed uitzicht op de straat bood.
Het gillen kwam van de overkant van de straat. Ik zag een meisje van een jaar of 13 op de straat liggen. Twee auto’s waren gestopt en de automobilisten leken haar te helpen. Ik zag niet wat er precies aan de hand was, het was nog schemerig, maar ik vermoedde dat ze was gevallen of aangereden. Toen ik me, kort daarna, aangekleed naar buiten wilde begeven om hulp aan te bieden, waren de auto’s en het meisje verdwenen. Het was doodstil op straat. En het leek of ik me alles verbeeld had.

Waar ik tijdens mijn overstap naar Utrecht ontdekte ik dat er een trein was uitgevallen, had ik zo maar ineens een kwartier over, waarin ik bij Starbucks in de rij, koffie kreeg aangeboden van een wildvreemd meisje. Ze had lang, rood haar en ze zag er grappig en gelukkig uit. Ze vertelde me, met lichtblauwe, lichtgevende ogen, waarin mijn blik verdween, gebiologeerd als ik was door haar schoonheid en spontane geste, dat ze verliefd was en dus trakteerde. “Deze koffie krijgt u van mij” zei ze…. Ik was overdonderd  en aanvaarde dankbaar en wat verlegen met de situatie,  haar koffie.
Ik stapte later in de trein naar Utrecht en vroeg me verbaasd af wat deze dag me nog meer ging brengen.

Gedurende de rest van de dag werd ik opgenomen door de studiedag die zich aandiende. Ik vergat eigenlijk een beetje wat er die ochtend was gebeurd. Maar op mijn terugreis, toen ik met mijn dochter belde, die sinds het weekend plotseling over haar hele lichaam uitslag had, en ik me bezorgd afvroeg, wat er toch aan de hand was, werd ik gadeslagen door een jongeman.
Toen ik in Rotterdam uitstapte om over te stappen op de trein naar Dordrecht tikte hij me op de rug. Hij vroeg me of hij mocht vragen wat mijn beroep was en hij veronderstelde dat ik psycholoog was. Ik keek hem verbaasd aan en zei dat dit niet het geval was. Hij zei: “Ik weet niet wie u aan de telefoon had, maar u hebt die persoon fantastisch geholpen. Dat wilde ik even tegen u zeggen.” Ik kreeg een kleur, voelde me betrapt op een intiem telefoongesprek met mijn dochter en besloot voor de zoveelste keer nooit meer te bellen in de trein. Tegelijkertijd voelde ik me gevlijd door zijn compliment, dat volkomen oprecht leek bedoeld.

Er volgden nog twee gebeurtenissen. Vanaf het station haalde ik op woensdag altijd, indien mogelijk, ons groentepakket. Mijn wandeling naar huis verlengde ik op deze wijze en ik was blij met deze wandeling, die de dag op de juiste manier afsloot. “Mag ik u wat vragen, mevrouw?” vroeg hij. “Weet u waar de …. straat is.” Er stond een kleine, mollige, vrolijke jongen tegen de schutting geleund van een jaar of 9. Hij zocht mijn blik toen ik hem met mijn boodschappentas passeerde. Ik legde wat onzeker uit hoe hij daar moest komen en verwees hem naar een tunnel, een paar honderd meter verder op, Hij keek me ondeugend aan.
“Ha ha” zei de jongen, “Nam ik u mooi in het ootje. Die straat ligt direct achter u. Veel mensen weten dat niet….” Hij kwam niet meer bij van het lachen. Het werkte aanstekelijk.
Ook ik schoot in de lach en vervolgde vrolijker, mijn tocht naar huis.

Begin van die avond begaf ik me naar de yoga les. Op de terugweg van deze les liep ik een man tegemoet op zijn avondwandeling met een grote herder. Ik liep over een smal pad, dat dwars door het plantsoen liep en moest hem passeren. Het was een bekende “uitlaatroute” voor honden en ik was het gewend dat honden me daar passeerden.  De tegemoet komende hond gromde echter kwaadaardig in mijn richting en leek me aan te willen vallen. Ik was onmiddellijk doodsbang en negeerde zijn blik. In mijn hand had ik een wierookstokje met een nieuwjaarswens er aan. Ik had hem gekregen van mijn yogadocent die 5 weken naar Thailand was geweest. Ik liet mijn stokje wierook vallen en voelde me verstijven van angst. Bosjes om me heen versperden mijn uitwijkmogelijkheden. Doodstil stond ik toen de man met de hond passeerde. De neus van de hond raakte mijn jas. Ik keek hem beduusd na en rende daarna naar huis als een meisje van 8.

Opgelucht en dankbaar schoof ik even later naast mijn man in bed.  Het was een avontuur geweest, deze tweede woensdag in januari. Het was een dag geweest vol met curieuze ontmoetingen, opmerkelijke gebeurtenissen die elkaar met tussenpozen opvolgden, met mijzelf als middelpunt. Ik vroeg me af of het aan mijn stemming had gelegen, aan mijn argeloze blik op de wereld.
Ik droomde die nacht van een meisje met rood haar. En van een grommende herder.

Thuis

‘Je hebt thuis genoeg te doen, loop niet weg,’ raadde de zestiende-eeuwse schrijver Michel de Montaigne zijn lezers aan.

We hadden een huis voor je gezocht, een ander huis dan dat huis dat je al jaren goed zat, als een warme jas. Als een mooie mantel eigenlijk. Dat huis dat je kinderen ooit hadden verlaten. Dat huis waar je soms op foeterde, dat huis waar je uren had doorgebracht, wachtend op mijn vader, die altijd op pad was, dat huis, waar je truien had gebreid, boeken had gelezen, waar je zo lekker had gekookt voor je echtgenoot en voor je kinderen. Het huis dat een extra raam kreeg, zodat je beter naar buiten kon kijken. Het huis dat perfect in orde was en met smaak ooit door jou was ingericht, uit dat huis hadden we je weggehaald.

Enkele weken geleden reed ik door het verlaten Drents landschap op weg naar huis. Het was eind november en koud en guur weer. Er trok een witte mist op boven de weilanden om me heen en de rijp lag op de takken van de bomen langs de weg. Ik kwam niemand tegen en ik voelde me ontheemd in het vage Drentse landschap. Ik had net mijn moeder achter gelaten in de kleinschalige woonvoorziening voor mensen met dementie in het Drentse dorp, niet ver van haar geboortegrond.

Ik las in het boek ”Kleine filosofie van het rijtjeshuis” door Peter Hoexum een mooie definitie van wonen: betekenis toekennen en waarde hechten aan een bepaalde plek. In datzelfde boek lees ik: thuis is niet alleen een plek maar ook een reeks van handelingen. Zo zie ik dat mijn moeder ook moeite heeft met haar verhuizing, al kan ze dat lastig uiten. Ook al is haar bewustzijn in een ver gevorderd stadium van dementie, haar vertrouwde reeks van handelingen, zijn haar afgepakt en dat moet wel verdrietig voor haar zijn. Ik stel me zo voor dat een vaag gevoel van ontheemd zijn zou kunnen voelen, zoals ik in de mist in het verlaten Drentse landschap. De sleur, de gewoontes, de bekende route in haar vertrouwde fijne huis. Ze zijn haar ontnomen.

Ze zat er goed bij. Het was haar eerste week in het huis. Ze at goed, ze sliep redelijk, ze lachte tegen de verzorgsters, die haar “een droppie” vonden. Ik zag dat ze lief waren voor mijn moeder en ik zag dat ze de zintuigen goed voedden en dat ze een prachtige kamer had in het mooie huis. Toch vond ik het moeilijk haar daar te laten. Ze oogde zo kwetsbaar en klein aan de grote tafel.

Ooit zei mijn zus het tegen mij; maak van je huis een kasteeltje, na een periode waarin ik me tamelijk ongelukkig had gevoeld. Destijds moest ik deze opmerking goed tot me door laten dringen. Ik begreep niet zo goed hoe ik dat kon doen. In de jaren die volgden, ik was rond de 30, lukte me het steeds beter. Mijn huis werd een thuis, waar ik me veilig voelde en een warme plek waar het goed toeven was. Ik leerde er alleen te zijn, ik leerde dat ik een eigen sleutel had en ik voelde me steeds tevredener met mijn kleine oude huisje in de binnenstad van Utrecht. In middels zijn we jaren verder.  Ook mijn moeder was er goed in. Zij had van haar huis een kasteeltje gemaakt. Het huis dat mijn vader, geheel naar haar wensen bouwde. Het huis waar ze minstens 35 jaar samen met mijn vader gewoond had, de man met wie ze 60 jaar lief en leed deelde. Dat huis was verbonden met haar, met haar leven, verbonden met het leven met hem, met hun gewoonten, hun routines, hun leven samen.

Ik hoop dat mijn moeder, ondanks haar beperkingen, of dankzij haar beperkingen, van dit huis weer een thuis kan maken, passend bij haar staat van zijn. Dat zou troostrijk zijn en misschien kan ik haar dan makkelijker daar laten, als ik haar bezoek.Hoexum stelt stelt dat je “ thuis” een werk in uitvoering is, dat je grondig moet onderhouden, bijvoorbeeld door te verhuizen. Ik geloof dat dit zo is.

 

.

 

Begraafplaats

Hoe verzoenen we ons toch met ons einde, of hoe verzoenen we ons toch met het einde van onze geliefden? Hoe bereiden we ons voor op een dood zonder angst? We kunnen er een heel leven over doen.  En we kunnen ons er heel erg in vergissen… Want oh, als we er onverwachts voor staan. Dan is de dood koud en groot, dan is hij een mysterie, die een fikse draai kan geven aan ons leven of dat van onze geliefden.

Op een zomerse middag in 1972 gaat de zwart bakelieten telefoon in onze gang. Ik neem op. Oma is dood, zegt mijn tante. Ik schiet in de lach. De oma die dood is, staat ver van mij af. Mijn ouders zijn net vertrokken naar het ziekenhuis. Al weken lang bezoeken ze mijn doodzieke oma. We worden als kinderen ver weg gehouden van dit leed en van de dood die daar op volgt. Onwetend zijn wij. De begrafenis gaat aan ons voorbij. De puberteit zet in en ik ben bang voor de dood. Mijn hele jeugd woon ik tegenover de begraafplaats. In de zomer ontnemen de dichtbegroeide groene bladeren het zicht op het kerkhof. Doch in de winter, als de heg aan de overkant van ons huis, kaal is, dan biedt diezelfde heg vanuit mijn bed een onbelemmerd uitzicht op de graven. De bladerloze takken omlijnen een zware realiteit. De nachten waarop ik mijn gordijn op til en door de heg naar de grijze stenen staar, zijn  vlekkerig en stil. De schots scheve graven, de kaalheid en kilte en het vocht van de winterse nachten, brengen een gedachtestroom op gang over de dood. Ik roep haar dichterbij en in mijn verbeelding overpeins ik mijn laatste winter. Vanaf mijn 12e tot mijn 18e, heb ik regelmatig van dat soort gedachten over “het einde.” Mijn hypochondrische “ik” verzint dramatische ziekten en verzamelt ondoorgrondelijke pijntjes die me overdag plagen en me s ‘nachts wakker houden. Soms deel ik mijn angst met mijn moeder en zij constateert broodnuchter dat het “groeipijntjes” zijn, die horen bij de puberteit en het leven.

Ze is dik mijn oma. Ze draagt een korset met kleine haakjes, die haar zachte grote buik, hard en ondoordringbaar maakt. We logeren bij haar, mijn zusjes en ik. In de kleine slaapkamer hangt een gifgroen schilderij met een engel. Ze kijkt groots op ons neer. Het schilderij is zo breed als de muur van de kamer.
Ik herinner mij het kale glas op het marmeren blad van het nachtkastje. In het glas met water dobbert het  kunstgebit van mijn oma. Ze draagt een nachtpon tot aan haar tenen. Haar lang grijze haar reikt tot haar middel. Elke ochtend draait ze een “knoet”. De knoet wordt groter, door het hulpstuk, dat ze vakkundig onder haar haar draait. Soms mogen we haar helpen met haar korset en dan priegelen onze kindervingers met de kleine haakjes. Oma lijkt wel een heks in haar nachtpon. In het kastje bewaart ze blikjes met Haagse hopjes en met laurier drop. De hopjes kleven aan onze tanden en de laurierdrop kleurt onze tanden grijs. Ze houdt van bloedworst, waar ik van gruwel. Ze draagt een goudkleurige bril met doorzichtige vierkantjes die haar ogen onheilspellend vergroten.

We staan stil bij de grote variatie aan grijs, wit en zwart getinte stenen, oud of glanzend. Nieuw, gebroken of glimmend marmer, of donker grindachtig grimmig zwart, bemoste stenen, mooi of intens lelijk. Ik ben acht jaar en mijn fascinatie voor de dood begint daar. Zij prevelt de namen en vertelt wie ze waren. Mijn oma kent de doden. Ik luister ademloos.Terwijl de laatste sneeuw groezelig het pad onder de hoge beukenbomen bedekt, loop ik aan de hand van mijn oma over de begraafplaats. Het is koud.
Vele jaren later, sta ik op dezelfde begraafplaats met mijn vader. Aan de hand van mijn vader staat mijn dochter. We staan onder de grote, groene treurwilg die te zien is, vanuit het huis van mijn ouders. We staan rondom het graf op het verende gras. Onder de treurwilg ligt een zusje van mijn opa begraven. Ze stierf jong. Mijn vader laat onbekommerd zijn tranen vloeien. Oud worden en oud zijn heeft soms bijna iets beschamend. Mijn dochter en ik staren ongemakkelijk naar het graf.

Destijds op dat kerkhof met mijn oma, realiseerde ik me voor het eerst mijn sterfelijkheid. Het overdenken van de dood, de vragen, de angsten rondom het sterven brengen onrust bij me teweeg en maken me tegelijkertijd extra bewust van de troostrijke en bijzondere ervaringen, die in mijn  leven langs komen.