Alleen

Mijn tweelingzus ( Fennanda Eleveld) en ik onderzochten ons tweeling-zijn het afgelopen jaar. Een boeiende tocht die uit moet monden in een boek dat hopelijk rond de zomer van 2022 gaat verschijnen. We werden teruggeworpen in de tijd. Dit vormde de aanleiding voor deze blog, voornamelijk gesitueerd in de periode tussen mijn twintigste en mijn dertigste, toen ik worstelde met het vinden van mijn identiteit, autonomie en het alleen zijn. Had deze worsteling te maken met mijn oorsprong, mijn tweeling-zijn?
Ik las: geluk en tegenslag zijn tweelingen. De tweeling zit in het leven zelf. Als je het woord tweeling doorzoekt, doorzoek je een systeem, een structuur die moeilijk valt uit te leggen. In Nigeria zeggen ze dat ieder mens een deel van een tweeling is. Meestal bestaat de tweede alleen in de spirituele wereld. Het zoeken naar een complement, het zoeken naar tegengestelde helften, naar balans, het streven naar heelheid lijkt in de mensheid ingebakken.
Mijn dochter van (bijna) 23 wilde leren alleen en autonoom te leven, vertelde ze me enkele weken geleden. Ik vond dat prijzenswaardig en vertelde haar over mijn eigen zoektocht. De 1e keer dat ik besefte dat ik echt alleen was en op mijzelf werd teruggeworpen, was zo rond mijn 20e. Ik woonde op kamers in Zwolle. Mijn vriendje bedroog me en ik zat in mijn kleine studentenkamertje van twee bij drie te huilen omdat ik niet wist wie ik was of wilde zijn- geen wonder dat hij me bedroog. Het moet in de winter van 1981 zijn geweest. Mijn warme gevelkacheltje was zowel troostrijk als benauwend. Vele jaren later besefte ik pas echt hoe het was om alleen te wonen en te leven, toen ik zo rond mijn 29e met een gebroken hart in therapie ging en begreep dat ik nauwelijks op eigen benen kon staan. Mijn dromen waren vervlogen – ik had gefantaseerd over een gezinsleven met een man en kinderen. Pas rond mijn 32e, tijdens een weekend met vrouwen in een zelfde soort situatie, leerde ik dat mijn cynisme over de liefde en een gezinsleven – of over dat leven met een ander – mij behoorlijk in de weg zat. Het was zaak om mijn hart weer te openen. Hoe ik dat moest doen wist ik niet….
De psychotherapeut die ik bijna wekelijks bezocht was onverbiddelijk. Je zit hier samen met je tweelingzus. Ze vroeg me het hemd van het lijf en bracht zo mijn leven in kaart. Helaas – het hielp geen zier. Mijn gevoel van verlatenheid werd er zelfs groter door. Bijna elke middag stond ik in dat jaar (1989) als ik uit mijn werk kwam, huilend bij mijn kapstok. Vol angst om mijn lege huis te betreden en om de lange eenzame avonden aan te gaan, helemaal alleen met mezelf, met de toekomst ongewis. Ik ervoer een existentieel gevoel van verlatenheid en dat verwarde mij. Een verloren gevoel dat door niemand opgelost kon worden, behalve door mezelf. Ik werd me bewust van de wens om autonoom te leren leven. Maar ik vluchtte ervoor weg.
Nog weer later leerde ik de weekenden alleen door te komen. Soms met een goed boek, met een kop koffie, een wandeling met een vriend of vriendin, een etentje met vrienden, soms met oude brieven of dagboeken uit een vorig tijdperk, met muziek, een film, met een goed gesprek met iemand, soms met een verkeerde liefde, soms door gewoon tevreden te zijn met mezelf en mijn alleen-zijn in mijn kleine maar fijne huis in de Pauwstraat in Utrecht.
Als ik nu terugdenk aan het tweelinggevoel uit de eerste 10 jaren van mijn leven, dringt zich de vraag op: is het voor een tweeling moeilijker om autonoom en alleen te zijn dan voor een eenling? Ik was ooit jaloers op mijn tweelingzus, die zo gemakkelijk voor zichzelf leek te kunnen kiezen, door op haar 13e haar haar lang te laten groeien en door zich niet meer te onderwerpen aan dezelfde kledingstijl.
Ik las dat autonomie* nauw samen schijnt te hangen met zelfachting, zelfkennis en respectvolle sociale relaties . Iemand handelt autonoom wanneer hij/zij iets zelf bepaalt en geheel en al achter zijn/haar beslissing kan staan. De zoektocht naar die zelfachting loopt als een rode draad door mijn leven.
Twee belangrijke basisverlangens** die we als mens herkennen – het verlangen naar verbinding en saamhorigheid (de wens om ons te conformeren) en het verlangen naar uniek en bijzonder te zijn (de wens om ons te onderscheiden) – lijken voortdurend in ons te conflicteren. Bij de ene mens lijkt het eerste verlangen dominant, bij de ander de tweede. Soms zijn ze er afwisselend allebei, afhankelijk van de situatie. En soms zijn we ze vergeten, deze verlangens.cDe saamhorigheid, waar ik in mijn leven naar heb verlangd, kon ik in de liefde meestal niet vinden. Pas toen ik vele jaren later, zo rond mijn 33e , kon accepteren dat mijn verlangen naar saamhorigheid basaal bij mij paste, durfde ik de liefde weer toe te laten. Van een man die mij deze gul en vol vertrouwen bood.
De ontwikkelingen die we als mens doormaken als gevolg van veranderingen – in onze omgeving, in onze context, in onze kennis en vooral ook onze zelfkennis, in ons begrip en onze weerkaatsing in de ander – zie ik inmiddels luchtiger en als een spel. Het doel van dit “spel” is voor mij om een voltooiing te bereiken door een zo ‘heel’ mogelijk mens te worden. Dat betekent voor mij integer leren omgaan met de wereld om mij heen, mijn mogelijkheden en talenten ontdekken en benutten, beperkingen leren kennen en onderkennen maar ook het effect leren zien van mijn persoonlijkheid op de ander en het effect van de ander op mijzelf. Kortom mijzelf leren kennen en daardoor de ander leren zien, als een vanzelfsprekend pad om te volgen.
En misschien wordt het daardoor gemakkelijker. Al blijft het voor mij een netelige kwestie. Petje af voor mijn dochter die het wil leren: alleen leven.

  • [1] Als bron voor deze blog en ons tweelingboek gebruik ik het boek Autonomie van Beate Rössler, een essay over een vervuld leven ( 2018).[2] Als inspiratiebron voor de kijk op mijn leven gebruikte ik het boek Het verhaal van je leven door Mieke Bouman (2018)(storytelling en de zoektocht naar een zinvol bestaan).

Zintuigen

Gisterochtend liep ik voor het eerst sinds twee weken weer de vaste route naar mijn werk. Ik lette goed op en liep zintuiglijk scherpzinnig richting de ingang van mijn werkplek. Ik had deze vaste route twee weken gemeden. De eerste week omdat ik bang was om weer te vallen en de tweede week omdat ik op vakantie was in het zuidelijkste puntje van Limburg.

Elke ochtend als ik naar mijn werk loop kruis ik “een waterzebra”. De betonnen platen worden onderbroken door stroken water, die over de volle breedte van het brede pad, gevormd door de platen, strepen trekken in het wegdek. Deze goten worden rechts van de zebra gevuld door een stromende waterval, die over een stenen plaat ze permanent van water voorziet. De goten eindigen in een vijver links naast de waterzebra. Het lopen over deze zebra vraagt om aandacht. Het vraagt om een ander ritme dan een mens gewend is en vraagt om bewustzijn bij het oversteken van de gootjes. Dat is een van de redenen waarom ik deze route kies. En daar ging het die maandagochtend flink mis.
Het was een vreemde sensatie. Voor ik het wist lag ik met mijn wang op de betonnen plaat voor mijn neus. Ik was letterlijk op de aarde getrokken. Ik had het reliëf van het beton aan mijn lip kunnen voelen toen het gebeurde en was even later volkomen doordrongen van de kalmte van de aarde en het koele beton. Mijn lippen hadden het beton gekust. Rechts van me hoorde ik water ruisen. De waterval bracht een rustgevende klank voort en ik voelde zachte koele druppeltjes op mijn wang. De tijd leek stil te staan en ik dacht: laat mij hier maar liggen. Seconden vertraagden tot minuten en ondanks de stekende pijn in mijn lip,knie en been ervoer ik een enorme kalmte in mijn lichaam. Langzaam maar zeker voelde ik mijn linkervoet nat worden. En toen drong het tot me door dat ik op moest staan. Een dame die voor me liep, vroeg me hoe het me verging, daar op de grond. Ik stond vliegensvlug op en kreeg mijn mobiele telefoon aangereikt die uit mijn tas was gezeild. Ik inspecteerde mijn panty die wonderwel heel was. Ik vervolgde mijn tocht richting werkplek en bleef de gehele dag in een vreemd bewustzijn functioneren.
Een week later keek ik terug op een verwarrende gebeurtenis. Mijn knie was ondertussen van paars naar groen en geel gekleurd en op mijn scheenbeen verschenen diverse blauwe plekken. Mijn lip was van donkerpaars en dik weer in zijn oude vorm en kleur hersteld maar ik voelde me een mishandelde vrouw. Met een hoofd vol gedachten was ik die maandagochtend mis gestapt op de mij zo vertrouwde route over de gootjes richting mijn werkplek. Ik was op de aarde gezet en voelde me gevloerd en kwetsbaar en werd geconfronteerd met mijn hoofd en mijn gedachtestroom. Toen ik die maandag daarop vertrok naar het Limburgse landschap was ik bereid om mijn zintuigen open te zetten en mijn omgeving optimaal te benutten.
Mijn oren en ogen en smaakzin werden daar getest. Vogels, geuren, vele tinten groen, bloesem, Limburgs bier en Limburgse vlaai. We dompelden ons er in onder. Elke dag was voorzien van een prachtige wandeling door dalen en heuvels in een zonovergoten landschap.
Op de 6e dag keerden wij huiswaarts. Met een dikke knie en dikke enkel strompelde ik eind van de middag over de huiselijke drempel: het wandelen had geresulteerd in een grote hoeveelheid vocht rondom knie en enkel, een souvenir die mijn zintuigen steeds weer op scherp zetten. Zoals mijn voeten door de heuvels liepen in het Limburgse landschap. Zo wilde ik graag leven.

Ontwikkeling

Hangt succes of falen in het leven af van of je wel of niet beschikt over een of ander vastliggend talent? En wanneer noem je iets een succes en wanneer spreek je van falen?
Deze vraag stelde ik me vroeger regelmatig.
Ik geloof inmiddels in de theorie van een “growth mindset”. De Amerikaanse psychologe Carol Dweck deed veel onderzoek naar succes en falen bij kinderen en jongeren in het onderwijs en kwam tot verrassende conclusies, die mijn kijk op onderwijs en op de ontwikkeling van mijn eigen kinderen, maar ook op mezelf sterk hebben beïnvloed.

Er zijn nogal wat mensen in de wereld die geloven in een vastliggend idee t.a.v. intelligentie en talent. Sommigen van hen maken negatieve stereotypen, die een enorm effect hebben op de omgang, de begeleiding, de leiding en het onderwijs dat vanuit deze zienswijze gegeven wordt aan mensen.
Ik kies liever voor een andere bril. Behalve het portie geluk dat al dan niet op je pad komt, geloof ik in doorzetters-kwaliteiten, in groei van spieren maar ook in groei van intelligentie en groei door ervaringen, in groei van karakter, in groei door plezier in leren, in het ontdekken van eigen mogelijkheden en onmogelijkheden en in het mogen maken van fouten en vergissingen en de betekenis die dat heeft voor een nieuw te kiezen richting of andere keuze.

Toen ik 35 jaar geleden mijn HAVO diploma haalde was ik niet zo trots op me zelf. De gehele middelbare school was voor mij een soort van worsteling, waarbij ik me in het schoolgebouw vooral bezig hield met zaken die niets, maar dan ook niets met onderwijs te maken hadden. Leraren vond ik vervelend en oninteressant, een enkeling daar gelaten. Ik presteerde zeer middelmatig, deed nauwelijks iets aan mijn huiswerk. Het leven speelde zich voornamelijk af buiten het schoolgebouw. Ik ging op zoek naar ervaringen door me te verbinden met jonge mensen die het moeilijk hadden of die uit een totaal ander milieu kwamen dan mij bekend was. Ik provoceerde daarmee mijn ouders. Ik ging graag excentriek gekleed en viel op “foute jongens.”
Tijdens de lessen raakte ik nauwelijks intrinsiek gemotiveerd. Er waren maar enkele momenten waarop ik uit deze lethargie gewekt werd: als ik mocht schrijven, als ik een goed boek mocht lezen of als een leraar een spannend verhaal vertelde….Dat waren ook de momenten waarop ik hoge cijfers scoorde. Ik genoot vooral van verhalen die me meenamen naar ervaringen die ver van mijn eigen leven af stonden en ik droomde mezelf dan een rol in zo’n verhaal.

Ik constateerde dat ik eigenlijk nergens talent voor had en deze overtuiging heeft lange tijd mijn keuzes en mijn blik op de wereld bepaald.
De totstandkoming van mijn leven ging in de jaren daarna gepaard met vallen en opstaan. Ik wilde graag een bijzonder meisje zijn.
Ik zocht en deze zoektocht kostte me behalve energie ook geld want ik kwam terecht bij een aantal elkaar opvolgende therapeuten toen ik in de beginjaren ‘90 vastliep. Deze therapeuten trokken met mij conclusies uit mijn gedrag doch brachten me nauwelijks de zelfachting waarnaar ik eigenlijk al jaren op zoek was.
Mijn doorzettingsvermogen bracht me weliswaar van studie naar studie en een diversiteit aan diploma’s en certificaten doch gaf nimmer de erkenning dat mijn prestatie “genoeg was” om mezelf een voldoende te geven.
Ervaringen die ik tegenkwam bleken later echter cruciaal, bleken later zelfs de voedingsbodem voor nieuw potentieel en steeds vaker ging ik de fouten op dit pad beschouwen als de weg naar kennis en verandering en verbetering. De meeste doelen die ik me zelf stelde realiseerde ik in de jaren daarna.
Maar het belangrijkste was dit: Ik ontwikkelde zelfachting door een aantal zaken in mezelf als waardevol te bestempelen en door te ervaren dat ik volledig in iets op kon gaan als ik mijn mogelijkheden tot het uiterste benutte. Ik ontwikkelde een scherpe blik voor kwetsbaarheid en de erkenning van kwetsbarheid bij mensen. Mijn eigen kwetsbaarheid speelde daarbij een belangrijke rol.
Mogelijkheden lagen vooral in het begeleiden en enthousiasmeren van mensen en ik wist gaandeweg in mezelf dit ontdekte talent steeds meer te ontwikkelen en aan te scherpen. Ook bemerkte ik dat ik bijna vanzelfsprekend mensen een gevoel van veiligheid kon verschaffen en kon begeleiden in hun eigen ontwikkeling.

Ik zie mijn leven inmiddels als een toevallig en meestal gelukkig experimenteel onderzoek, waarbij ik elke dag mooie nieuwe ervaringen op doe. De betekenis van deze ervaringen worden soms verankerd en zichtbaar in mijn handelen door het toepassen van deze leerervaringen. Deze kijk brengt me elke dag nieuwe zelfachting en verandert mijn blik op de wereld. Dit noem ik ontwikkeling.

Grondslagen

Het woord vond ik mooi: g r o n d s l a g. Het had iets krachtigs en stevigs en iets fundamenteels. Nu was het me daar juist om te doen. Wat vormde mijn fundament, van waaruit ik mijn bewegingen, mijn gedrag, mijn woorden en mijn daden kon verklaren en verantwoorden.
Als er een paar weken rust in mijn hoofd is, ontstaan er nieuwe paadjes, openingen die ik niet ken van mezelf, gedachten die me inspireren, vragen die me bezig houden. Zo ebde het woord grondslag na in mijn hoofd en in mijn wezen de afgelopen maand. Het was tijdens een studiedag dat een lector aan mijn collega’s  en ook aan mij de vraag voorlegde: wat was mijn grondslag? Telkens weer dwaalden mijn gedachten terug naar het moment waarop ik deze vraag, nu enkele maanden geleden, beantwoordde. Bij mij kwam het volgende woord in op: erkenning. In de eerste instantie voelde het toen ik het uitsprak, als een woord dat te dicht bij me kwam, als een vergissing. En als ik terug dacht aan het moment van uitspreken voelde ik een enorme schaamte en het verlangen om mezelf te verdedigen en uit te leggen waarom ik juist dit woord koos.

Ik ontdekte deze zomer de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård. Een zesdelige autobiografische romancyclus “ Mijn strijd” die in Noorwegen een groot succes kende en die nu in recordtempo de wereld verovert, een cyclus waarvan ik twee romans las, willekeurig deel 2 en 4.
Het was voyeuristisch, genadeloos, soms grappig en ontroerend wat hij beschreef.
Ik was getroffen door de manier waarop hij in zijn eigen leven ronddoolde en steeds weer op een eigenzinnige manier zichzelf en dierbaren onder de loep nam en daarbij niemand spaarde, evenmin zichzelf. Waarom was dit zo’n probaat middel om lezers te verkrijgen? Ik heb me vandaag verdiept in zijn schrijverschap door interviews met hem te beluisteren, hij was spreker op Lowlands. Ik vroeg me af wat me zo boeide in deze romans. Het leven fileren, gedachten onderzoeken en strijd leveren om daar te komen waar je wilt zijn: wat Karl Ove doet heeft iets herkenbaars en geruststellends en roept een hang naar meer op, bij mij althans. Het roept gedachten op over leven, over relatie en over mijn eigen strijd, onderzoek en verlangen. Het “ken u zelve” staat voor mij op een belangrijke plaats in mijn omgang met mezelf en anderen.

Het was überhaupt voor het eerst dat ik over mijn grondslag nadacht de afgelopen weken: vanuit welke grondslag leefde ik eigenlijk ? Het woord had voor mij een sterke echo en kwam dus steeds weer terug in mijn gedachten. Had ik eigenlijk wel een grondslag en hoe bepaalde dit dan mijn doen en laten en vooral mijn ”zijn”.
Het woord erkenning, dat egocentrische associaties oproept en misschien ook lang voor mij die betekenis had: ik wilde gezien, gehoord en erkend worden. En tegelijkertijd was dat hetgeen waar ik het meest bang voor was. Het woord gaf me toegang tot een tot nog toe ongekende wereld. Een wereld waar ik ongecompliceerd aanwezig was, vanzelfsprekend en dichtbij mezelf. Waarin ik geen moeite deed om aanwezig te zijn maar waar ik simpelweg aanwezig was.
Maar het woord erkenning roept inmiddels meer op dan dat: het verlangen erkend, herkend en gekend te worden lijkt me universeel en een voor elk mens geldend verlangen. Ik geloof zelfs dat een niet inlossen van dit verlangen kan leiden tot ziekte, eenzaamheid en depressie. Ik heb jaren geleden met mezelf afgesproken dat ik behalve mezelf, vooral anderen wil erkennen. Ik doe er moeite voor om anderen te zien en kwetsbaarheid te honoreren. Ik werp graag de onzichtbare mens op om zichtbaar te worden en speel met liefde een rol in het opzoeken van ontkende emoties en gedachten. Als coach en docent heb ik daarmee mensen geholpen.
Want wat stelt het leven eigenlijk voor als er geen begrip is voor wie je bent, wat je denkt, wat je voelt wat je kan en wat je laat zien. Welke relatie stelt dan nog iets voor? “In den beginne is de relatie, alle werkelijke leven is ontmoeting.” schrijft Buber .

Ik las ook: “Bij zichzelf beginnen, maar niet bij zichzelf eindigen; van zichzelf uitgaan maar niet naar zichzelf toe streven: zichzelf zijn, maar niet met zichzelf bezig zijn” ( Buber in De weg van de mens).
Nog een lange weg te gaan…..

Doen alsof

Gedurende enkele jaren ging ik regelmatig met de auto in mijn eentje naar Noord Holland voor een cursus of een workshop. Op de terugreis, even voor Schiphol passeerde ik de bordjes Parijs … km, Madrid … km. etc.. Deze bordjes veroorzaakten bij mij telkens weer een gevoel van opwinding. Onder begeleiding van knetterende jazzmuziek fantaseerde ik mijn reis naar Madrid en hoe ik mijn huidige leven vaarwel zei. Ik werd een bon vivant op weg naar avontuur. Gespeend van elk realisme, begeleid door de trompet van Miles of de stem van Ella droomde ik mijn nieuwe leven…Tot ik op bekend terrein arriveerde: in de buurt van Delft zette ik de radio zachter en voelde me voldoende gevoed door de fantasie. Ik bereidde me voor op een realistische thuiskomst bij man en kinderen.

Vroeger had ik een vriendin die goed toneel kon spelen. Ze had een nogal donker uiterlijk. In het café kon zij als geen ander doen alsof. Ze noemde zich mijn Braziliaanse nichtje en stelde zich in het Engels voor. Ik genoot van dit doen alsof. Ons spel eindigde meestal met een lachbui of met het afhaken van omstanders, omdat wij ons verhaal steeds ongeloofwaardiger maakten. Het doen alsof laadde mij op en bracht altijd een verkwikkende energie teweeg.

Ik doe nog regelmatig alsof. In treinen bij voorkeur, voel ik mij  uitgenodigd om te doen alsof. Vaak weet ik het al bij het opstaan. Soms start het spel pas  als ik in de trein naar mijn werk of naar een andere bestemming zit. Ik onttrek me aan de dagelijkse realiteit en speel vol overgave mijn verzonnen spel.
Heel soms, als ik mijn sjiekstee pakje aan heb, dan doe ik of ik een geslaagde, alleenstaande zakenvrouw ben, die onderweg is na haar zoveelste afspraak. Ik geniet er van om mijn benen traag over elkaar te slaan, om mijn panty’s te laten glanzen, ik ben dan even geen moeder, geen echtgenote, geen huisvrouw en geen docent of coach. In deze rol krijg ik altijd schokkend veel aandacht van mannen, die mij normaliter niet zien staan. Opeens voel ik me dan heel vrouwelijk. Ik word dan een ander: in plaats van de ontvankelijke, makkelijk benaderbare vrouw, word ik koel, beleefd en afstandelijk. Als de conducteur komt dan reageer ik uiterst gereserveerd op zijn vriendelijke verzoek. Dit spel stopt zodra ik op de plaats van bestemming ben en ik kruip net zo gelukkig weer in de rol van moeder en partner, dochter of vriendin.
Ik stap ook wel eens in de trein naar mijn werk met het idee dat ik een hele verre reis ga maken. In de trein pak ik een goed boek en ik lees dat boek alsof ik alle tijd van de wereld heb. Mijn reis naar mijn werk duurt welgeteld 35 minuten. Ik lees ontspannen en geconcentreerd en ik ervaar de reis als een half uur vakantie.
Ik ben in het bezit van een klein reiskoffertje. Als ik veel spullen meeneem naar mijn werk dan reis ik met dit koffertje op wieltjes. Ik probeer  al voor ik in de trein stap in mijn rol te groeien door de tijd  te vertragen: in plaats van op de fiets, ga ik te voet naar het station. De wandeling werkt al verkwikkend op mijn gemoedsrust. Ik kijk meer om me heen en ik geniet van het weer of de vogels. Voordat ik de trein in stap verwen ik me zelf met een heerlijke cappuccino. Ik stap als vrouw van de wereld in de trein en doe alsof ik naar Brussel of Parijs vertrek. De verre reis stopt als ik op de plaats van bestemming arriveer. Ik ben dan niet teleurgesteld, maar kruip ontspannen in mijn echte rol.

 

Het blijft boeiend.

Empathie

Wat ben jij toch empathisch zei mijn vriendin de volgende ochtend bij het verrukkelijke ontbijt in een klein hotelletje in de Ardennen…. Ik moest direct denken aan een collega die enkele jaren geleden zei: Wilma, je gaat nog eens aan je begrip ten onder…..

Het klopt: ik kan me goed inleven in de gevoelens van een ander. Ik voel me vaak vanzelfsprekend sterk verbonden met de kwetsbare partij.
En ik leer anderen graag om “om in te voelen.” Ik leer hen iets te bekijken vanuit het perspectief van een ander, of tijdens een interactie zodanig te spiegelen, dat afstemming bijna vanzelf gaat.

De hoteleigenaar stond op zijn blote voeten op de koude tegels in de hal van het Hotel. Tegenover hem stond een intimiderende, grote Marokkaanse politieagent die in rap Frans korte metten wilde maken met de onzekerheid van de man. De eigenaar wankelde op zijn benen. In zijn pyjama, net wakker, zag hij er kwetsbaar en timide uit. Of hij vertoefde nog in een roes van slaappillen, of de drank in zijn lijf speelde hem nog parten. Een ding was zeker, hij maakte geen coherente indruk. En was zeker niet doortastend, zoals je zou verwachten van een hoteleigenaar op dit uur van de nacht. Hij doorbrak de stormvloed van de politieagent met klappende handen, zoals een klein kind iets van zich af slaat of zoals wij insecten proberen te weren in een drukkend bos. Het leverde een meelijwekkende scene op die mij raakte.

In de eerste week van 2014 vertoefde ik samen met een vriendin in de Blauwe Ardennen. Onder een blauwe lucht, mét zon, in de overigens grijze Ardennen, mét pittoreske watervalletjes maakte ik mijn mooiste wandeling van 2014. Onze voeten waren moe, onze huid was warm en rozig geworden door een heet bad, onze geest was ontspannen na al dat buiten zijn: wat wil een mens nog meer. Dus doken we -zo rond 22. 00 uur- voldaan ons bed in. Ik geloof dat we onmiddellijk sliepen in het heerlijke driesterren bed. Om 02.00 uur die nacht ging doordringend en schril het brandalarm af.

Koud en rillerig stonden we even later met nog zo’n 14 Nederlandse gasten bij de receptie. Het brandalarm joelde nog steeds. Een daadkrachtige mijnheer met een pet probeerde allerlei telefoonnummers om de eigenaar te ontbieden. Tevergeefs. De eigenaar woonde achter het hotel, maar de deur was en bleef hermetisch gesloten. Na ongeveer een half uur verscheen (door de doortastende Nederlander opgeroepen) de brandweer. Nog steeds geen eigenaar. Kort daarop verschenen ook een ambulance en de politie: twee potige mannen en een vrouwelijke agent. De aanvoerder van dit team was de reeds door mij beschreven sterke manlijke Marokkaan die direct allerlei zaken aan ons begon te vragen. De politieagent probeerde telefonisch contact te leggen en eindelijk….na ongeveer een halfuur verscheen de eigenaresse met hooggesloten duster en een slaperige stem aan de tussendeur, kort daarop verscheen ook haar echtgenoot. In pyjamabroek , met een bollende buik onder zijn jasje en dunne benen en een beetje wankel probeerde hij te begrijpen wat er gaande was. Om kort te gaan: om 04.00 uur ‘s nachts liepen wij door de straten van Stavelot, richting een vervangend hotel: het brandalarm was kapot en de politie achtte het niet verantwoord dat we de nacht zouden vol maken in het hotel. Dit deden wij uiteindelijk in een hemelbed bij een gastvrije Belg, die ons de volgende ochtend trakteerde op een overheerlijk ontbijt.
Het was tijdens dit ontbijt dat mijn denktocht begon: wat was empathie? Ik had te doen gehad met de kwetsbaarheid van de beschreven hoteleigenaar. Tegelijkertijd wist ik dat een hoteleigenaar ander gedrag zou moeten vertonen op een dergelijk cruciaal moment.

Misschien was mijn empathie beter te benoemen als sympathie. Empathie vraagt om naast iemand te durven gaan zitten. Aan dezelfde kant van de tafel. Met iemand de afgrond in durven gaan met een gezond oog en oor en daardoor begrip ontwikkelen voor de gevoelens van de kwetsbare status-quo. In het perspectief van een ander kruipen om te leren begrijpen wat een ander beweegt.

Ons brein blijkt een apart systeem te hebben dat ons in staat stelt intuïtief te voelen wat een ander voelt. Dit hersengedeelte noemen we de spiegelneuronen.
Dat mijn hersenen kennelijk sterk resoneren op de gevoelens van een ander, zie ik maar zo: Het maakt me een goede coach, een prettige collega en een plezierige gesprekpartner.

Werk

Werken doe ik al heel erg lang. Al bijna 40 jaar… Als 14 jarige startte ik mijn werkend leven met een zaterdagbaantje achter de kassa in een kleine zelfbedieningszaak. Met mijn eerst verdiende geld kocht ik cadeautje voor mijn zussen, broertje en ouders. Ik herinner me nog goed het juichende gevoel dat dit opleverde. Vooral omdat ik zelf kon beslissen wat ik met mijn eigen verdiende geld ondernam. Er volgden nog vele zaterdagbaantjes tot ver in mijn studententijd, om vooral mijn portemonnee te spekken.
Op mijn 24 e had ik mijn eerste aanstelling als B-verpleegkundige in de gezondheidszorg. Ik kreeg een loonstrook en vakantiegeld en natuurlijk vervulde dat me met trots.
Ik kocht van mijn eerste salaris een knalrode lakjas en een kleine Philips televisie. De rode lakjas heb ik niet meer maar de Philips televisie voldoet nog steeds. Nog nooit heeft hij me in de steek gelaten en we zijn inmiddels 28 jaar verder!
In die eerste jaren van mijn werkend leven vormden vooral mijn onderhoud de motivatie om te werken. Mijn vrije tijd was enorm belangrijk en er speelden tot ongeveer mijn 30e ander zaken in mijn leven, die me vervulden, waardoor werk meer noodzaak was dan verlangen.

In ieder willekeurig moment van het leven zoeken we naar zin, liefde en geluk, of we nu werk doen waar we volop voor gekozen hebben of niet. Telkens weer vragen veranderende omstandigheden om onze zegeningen te tellen en stil te staan: niet bij wat we zijn maar wie we zijn. Het lijkt wel of ik gedwongen word om het antwoord op deze vraag aan den lijve te ervaren. Sinds enkele maanden doe ik wegens een reorganisatie niet meer het werk waar ik zelf voor gekozen heb.
Ik werkte 5 jaar als coach en trainer in een groot ROC in Rotterdam. Mijn liefde voor mensen en mijn enthousiasme om met groepen te werken en mensen te begeleiden waren de laatste jaren mijn drijfveren. Steeds meer werd verlangen in plaats van noodzaak een motief om te werken. Het ooit verkrijgen van een bloeiende coaching praktijk vervulde mij met verlangen en studie en werkervaring vormden stapjes om dichter bij mijn doel te komen.

In een artikel in de Ode van november/december staat het thema VOLHARDING centraal. Ik lees dat het bij volharding gaat om een intrinsiek verlangen naar competentie en meesterschap.
Stap voor stap een doel bereiken in lastige omstandigheden vraagt om volharding. De huidige tijdsgeest en de economische crisis stemmen me tot nadenken over werk en de motieven waarom ik werk. Twee opgroeiende jongeren, een duur huis en een geldverslindend huishouden vragen om de noodzaak van werk en schuiven mijn verlangens regelmatig iets meer naar de achtergrond.

Het is misschien niet makkelijk maar wel simpel, zegt mijn gemoed dan, als troost en om de moed er in te houden.
Ik wil graag nu leven en niet morgen, ik wil graag nu genieten en niet morgen en ik leer daarom  accepteren dat de situatie nu eenmaal is zoals die is. In tijden van schaarste is dat haalbaar. Ik heb immers werk dat velen om mij heen verliezen….

De sinaasappel

In een trein valt regelmatig iets te beleven. Ik zie een keurig geklede jonge vrouw van rond de twintig aan de ander kant van het gangpad plaatsnemen. Ze hangt haar jas op het haakje boven haar hoofd en opent haar tas. Ze pakt een sinaasappel uit haar tas. De sinaasappel ziet er uit om op te eten. Ze legt hem op het tafeltje voor haar. Met haar rechter hand vist ze een zakdoekje uit een pakje en vouwt die nauwkeurig uit op haar schoot. Ik kijk verholen nieuwsgierig toe. Wie eet er nu een sinaasappel in de trein, denk ik.

De sinaasappel rolt even later tussen haar geroutineerde handen. Ik kijk en ik denk aan mijn moeder. Die at na elke warme maaltijd een sinaasappel. En rolde hem net zo tussen haar handen. Mijn moeder had een vlijmscherp fruitmesje met een houten lemmet. Met dit mesje kerfde ze twee rechte lijnen  die elkaar kruisten, over de schil van de sinaasappel. Hierdoor kon ze de schil in mooie, evenwichtige parten van de sinaasappel af trekken. De schillen vielen op het tafelzeil en vormden daar een stilleven, telkens weer anders.

Het meisje pakt het niet zo aan als mijn moeder.  Ze heeft geen mesje, maar pelt met haar mooie, gemanicuurde vingers een klein stukje van de bovenkant van de sinaasappel. Met aandacht en geduld legt ze het stukje schil op het zakdoekje. Vervolgens pelt ze zo nog een stukje en nog een stukje en nog een stukje. Steeds sneller vervolgen de vingers hun tocht over de oranje bol. Alras verschijnt de  vrucht. Nauwgezet vallen de ongelijke schillen op het zakdoekje. De sinaasappel geurt. Zonder een druppel te morsen verdwijnen even later de parten in haar mond. Ze eet ze in een ritme.  Het ziet er mooi uit.  Het ziet er gezond uit. Het ziet er perfect uit.

Ik vestig mijn aandacht weer op mijn boek. Ik bedenk dat ik nooit zo een sinaasappel zal leren pellen en ook nooit zo een sinaasappel zal durven eten in de trein. Het schouwspel blijkt echter nog niet afgelopen.  Nadat het laatste stukje in haar mond is verdwenen, vist ze met de toppen van haar puntige vingers wederom het pakje papieren zakdoekjes uit haar tas. Met een traag gebaar veegt ze haar vingers  één voor één af. Het zakdoekje beweegt  langs alle vingers: van het bovenste kootje langs de knokkels richting  de toppen en aan de andere kant weer terug. Hierna legt de  jonge vrouw het zakdoekje voldaan op de schillen. Ze vouwt het zakdoekje dicht. Maar dan: als zij de schillen in het gangbare treinprullenbakje wil deponeren blijkt deze afwezig. De prullenbak hangt niet meer op zijn plek. Ik volg haar blik en observeer haar verwarring. Onzeker richt ze haar blik op mij aan de  overkant van het gangpad. Naast mij treft zij wel een prullenbak. Uitnodigend open ik de prullenbak met mijn rechterhand. Ik ben blij dat ik deze bijdrage kan leveren. Het meisje staat op en werpt de schillen in de bak. Bijna onverschillig. Ze kijkt teleurgesteld.