Opmerkelijk

Soms hoef je niet ver te reizen om de wereld te ontmoeten en verrast te worden door onbekende mensen om je heen. Toen ik s ‘avonds mijn bed op zocht, en mijn lief vertelde over de eigenaardige gebeurtenissen van die dag, dacht hij dat ik het ter plekke verzon.

De dag startte al anders.
Een meisjesstem gilde: “Mama, moedertje. Hellup!” Letterlijk in die volgorde.
Mijn moederhart schrok er van.
Ik stapte net onder mijn ochtenddouche vandaan om me af te drogen toen ik buiten die meisjesstem heel hard hoorde gillen.
Aanvankelijk staakte ik mijn afdrogen, het gillen was hard en doordringend.
Het gillen hield aan en ik schoot in mijn badjas en ik vloog enigszins ongerust naar de slaapkamer van mijn zoon, die met erker, een goed uitzicht op de straat bood.
Het gillen kwam van de overkant van de straat. Ik zag een meisje van een jaar of 13 op de straat liggen. Twee auto’s waren gestopt en de automobilisten leken haar te helpen. Ik zag niet wat er precies aan de hand was, het was nog schemerig, maar ik vermoedde dat ze was gevallen of aangereden. Toen ik me, kort daarna, aangekleed naar buiten wilde begeven om hulp aan te bieden, waren de auto’s en het meisje verdwenen. Het was doodstil op straat. En het leek of ik me alles verbeeld had.

Waar ik tijdens mijn overstap naar Utrecht ontdekte ik dat er een trein was uitgevallen, had ik zo maar ineens een kwartier over, waarin ik bij Starbucks in de rij, koffie kreeg aangeboden van een wildvreemd meisje. Ze had lang, rood haar en ze zag er grappig en gelukkig uit. Ze vertelde me, met lichtblauwe, lichtgevende ogen, waarin mijn blik verdween, gebiologeerd als ik was door haar schoonheid en spontane geste, dat ze verliefd was en dus trakteerde. “Deze koffie krijgt u van mij” zei ze…. Ik was overdonderd  en aanvaarde dankbaar en wat verlegen met de situatie,  haar koffie.
Ik stapte later in de trein naar Utrecht en vroeg me verbaasd af wat deze dag me nog meer ging brengen.

Gedurende de rest van de dag werd ik opgenomen door de studiedag die zich aandiende. Ik vergat eigenlijk een beetje wat er die ochtend was gebeurd. Maar op mijn terugreis, toen ik met mijn dochter belde, die sinds het weekend plotseling over haar hele lichaam uitslag had, en ik me bezorgd afvroeg, wat er toch aan de hand was, werd ik gadeslagen door een jongeman.
Toen ik in Rotterdam uitstapte om over te stappen op de trein naar Dordrecht tikte hij me op de rug. Hij vroeg me of hij mocht vragen wat mijn beroep was en hij veronderstelde dat ik psycholoog was. Ik keek hem verbaasd aan en zei dat dit niet het geval was. Hij zei: “Ik weet niet wie u aan de telefoon had, maar u hebt die persoon fantastisch geholpen. Dat wilde ik even tegen u zeggen.” Ik kreeg een kleur, voelde me betrapt op een intiem telefoongesprek met mijn dochter en besloot voor de zoveelste keer nooit meer te bellen in de trein. Tegelijkertijd voelde ik me gevlijd door zijn compliment, dat volkomen oprecht leek bedoeld.

Er volgden nog twee gebeurtenissen. Vanaf het station haalde ik op woensdag altijd, indien mogelijk, ons groentepakket. Mijn wandeling naar huis verlengde ik op deze wijze en ik was blij met deze wandeling, die de dag op de juiste manier afsloot. “Mag ik u wat vragen, mevrouw?” vroeg hij. “Weet u waar de …. straat is.” Er stond een kleine, mollige, vrolijke jongen tegen de schutting geleund van een jaar of 9. Hij zocht mijn blik toen ik hem met mijn boodschappentas passeerde. Ik legde wat onzeker uit hoe hij daar moest komen en verwees hem naar een tunnel, een paar honderd meter verder op, Hij keek me ondeugend aan.
“Ha ha” zei de jongen, “Nam ik u mooi in het ootje. Die straat ligt direct achter u. Veel mensen weten dat niet….” Hij kwam niet meer bij van het lachen. Het werkte aanstekelijk.
Ook ik schoot in de lach en vervolgde vrolijker, mijn tocht naar huis.

Begin van die avond begaf ik me naar de yoga les. Op de terugweg van deze les liep ik een man tegemoet op zijn avondwandeling met een grote herder. Ik liep over een smal pad, dat dwars door het plantsoen liep en moest hem passeren. Het was een bekende “uitlaatroute” voor honden en ik was het gewend dat honden me daar passeerden.  De tegemoet komende hond gromde echter kwaadaardig in mijn richting en leek me aan te willen vallen. Ik was onmiddellijk doodsbang en negeerde zijn blik. In mijn hand had ik een wierookstokje met een nieuwjaarswens er aan. Ik had hem gekregen van mijn yogadocent die 5 weken naar Thailand was geweest. Ik liet mijn stokje wierook vallen en voelde me verstijven van angst. Bosjes om me heen versperden mijn uitwijkmogelijkheden. Doodstil stond ik toen de man met de hond passeerde. De neus van de hond raakte mijn jas. Ik keek hem beduusd na en rende daarna naar huis als een meisje van 8.

Opgelucht en dankbaar schoof ik even later naast mijn man in bed.  Het was een avontuur geweest, deze tweede woensdag in januari. Het was een dag geweest vol met curieuze ontmoetingen, opmerkelijke gebeurtenissen die elkaar met tussenpozen opvolgden, met mijzelf als middelpunt. Ik vroeg me af of het aan mijn stemming had gelegen, aan mijn argeloze blik op de wereld.
Ik droomde die nacht van een meisje met rood haar. En van een grommende herder.