Thuis

‘Je hebt thuis genoeg te doen, loop niet weg,’ raadde de zestiende-eeuwse schrijver Michel de Montaigne zijn lezers aan.

We hadden een huis voor je gezocht, een ander huis dan dat huis dat je al jaren goed zat, als een warme jas. Als een mooie mantel eigenlijk. Dat huis dat je kinderen ooit hadden verlaten. Dat huis waar je soms op foeterde, dat huis waar je uren had doorgebracht, wachtend op mijn vader, die altijd op pad was, dat huis, waar je truien had gebreid, boeken had gelezen, waar je zo lekker had gekookt voor je echtgenoot en voor je kinderen. Het huis dat een extra raam kreeg, zodat je beter naar buiten kon kijken. Het huis dat perfect in orde was en met smaak ooit door jou was ingericht, uit dat huis hadden we je weggehaald.

Enkele weken geleden reed ik door het verlaten Drents landschap op weg naar huis. Het was eind november en koud en guur weer. Er trok een witte mist op boven de weilanden om me heen en de rijp lag op de takken van de bomen langs de weg. Ik kwam niemand tegen en ik voelde me ontheemd in het vage Drentse landschap. Ik had net mijn moeder achter gelaten in de kleinschalige woonvoorziening voor mensen met dementie in het Drentse dorp, niet ver van haar geboortegrond.

Ik las in het boek ”Kleine filosofie van het rijtjeshuis” door Peter Hoexum een mooie definitie van wonen: betekenis toekennen en waarde hechten aan een bepaalde plek. In datzelfde boek lees ik: thuis is niet alleen een plek maar ook een reeks van handelingen. Zo zie ik dat mijn moeder ook moeite heeft met haar verhuizing, al kan ze dat lastig uiten. Ook al is haar bewustzijn in een ver gevorderd stadium van dementie, haar vertrouwde reeks van handelingen, zijn haar afgepakt en dat moet wel verdrietig voor haar zijn. Ik stel me zo voor dat een vaag gevoel van ontheemd zijn zou kunnen voelen, zoals ik in de mist in het verlaten Drentse landschap. De sleur, de gewoontes, de bekende route in haar vertrouwde fijne huis. Ze zijn haar ontnomen.

Ze zat er goed bij. Het was haar eerste week in het huis. Ze at goed, ze sliep redelijk, ze lachte tegen de verzorgsters, die haar “een droppie” vonden. Ik zag dat ze lief waren voor mijn moeder en ik zag dat ze de zintuigen goed voedden en dat ze een prachtige kamer had in het mooie huis. Toch vond ik het moeilijk haar daar te laten. Ze oogde zo kwetsbaar en klein aan de grote tafel.

Ooit zei mijn zus het tegen mij; maak van je huis een kasteeltje, na een periode waarin ik me tamelijk ongelukkig had gevoeld. Destijds moest ik deze opmerking goed tot me door laten dringen. Ik begreep niet zo goed hoe ik dat kon doen. In de jaren die volgden, ik was rond de 30, lukte me het steeds beter. Mijn huis werd een thuis, waar ik me veilig voelde en een warme plek waar het goed toeven was. Ik leerde er alleen te zijn, ik leerde dat ik een eigen sleutel had en ik voelde me steeds tevredener met mijn kleine oude huisje in de binnenstad van Utrecht. In middels zijn we jaren verder.  Ook mijn moeder was er goed in. Zij had van haar huis een kasteeltje gemaakt. Het huis dat mijn vader, geheel naar haar wensen bouwde. Het huis waar ze minstens 35 jaar samen met mijn vader gewoond had, de man met wie ze 60 jaar lief en leed deelde. Dat huis was verbonden met haar, met haar leven, verbonden met het leven met hem, met hun gewoonten, hun routines, hun leven samen.

Ik hoop dat mijn moeder, ondanks haar beperkingen, of dankzij haar beperkingen, van dit huis weer een thuis kan maken, passend bij haar staat van zijn. Dat zou troostrijk zijn en misschien kan ik haar dan makkelijker daar laten, als ik haar bezoek.Hoexum stelt stelt dat je “ thuis” een werk in uitvoering is, dat je grondig moet onderhouden, bijvoorbeeld door te verhuizen. Ik geloof dat dit zo is.

 

.