Begraafplaats

Hoe verzoenen we ons toch met ons einde, of hoe verzoenen we ons toch met het einde van onze geliefden? Hoe bereiden we ons voor op een dood zonder angst? We kunnen er een heel leven over doen.  En we kunnen ons er heel erg in vergissen… Want oh, als we er onverwachts voor staan. Dan is de dood koud en groot, dan is hij een mysterie, die een fikse draai kan geven aan ons leven of dat van onze geliefden.

Op een zomerse middag in 1972 gaat de zwart bakelieten telefoon in onze gang. Ik neem op. Oma is dood, zegt mijn tante. Ik schiet in de lach. De oma die dood is, staat ver van mij af. Mijn ouders zijn net vertrokken naar het ziekenhuis. Al weken lang bezoeken ze mijn doodzieke oma. We worden als kinderen ver weg gehouden van dit leed en van de dood die daar op volgt. Onwetend zijn wij. De begrafenis gaat aan ons voorbij. De puberteit zet in en ik ben bang voor de dood. Mijn hele jeugd woon ik tegenover de begraafplaats. In de zomer ontnemen de dichtbegroeide groene bladeren het zicht op het kerkhof. Doch in de winter, als de heg aan de overkant van ons huis, kaal is, dan biedt diezelfde heg vanuit mijn bed een onbelemmerd uitzicht op de graven. De bladerloze takken omlijnen een zware realiteit. De nachten waarop ik mijn gordijn op til en door de heg naar de grijze stenen staar, zijn  vlekkerig en stil. De schots scheve graven, de kaalheid en kilte en het vocht van de winterse nachten, brengen een gedachtestroom op gang over de dood. Ik roep haar dichterbij en in mijn verbeelding overpeins ik mijn laatste winter. Vanaf mijn 12e tot mijn 18e, heb ik regelmatig van dat soort gedachten over “het einde.” Mijn hypochondrische “ik” verzint dramatische ziekten en verzamelt ondoorgrondelijke pijntjes die me overdag plagen en me s ‘nachts wakker houden. Soms deel ik mijn angst met mijn moeder en zij constateert broodnuchter dat het “groeipijntjes” zijn, die horen bij de puberteit en het leven.

Ze is dik mijn oma. Ze draagt een korset met kleine haakjes, die haar zachte grote buik, hard en ondoordringbaar maakt. We logeren bij haar, mijn zusjes en ik. In de kleine slaapkamer hangt een gifgroen schilderij met een engel. Ze kijkt groots op ons neer. Het schilderij is zo breed als de muur van de kamer.
Ik herinner mij het kale glas op het marmeren blad van het nachtkastje. In het glas met water dobbert het  kunstgebit van mijn oma. Ze draagt een nachtpon tot aan haar tenen. Haar lang grijze haar reikt tot haar middel. Elke ochtend draait ze een “knoet”. De knoet wordt groter, door het hulpstuk, dat ze vakkundig onder haar haar draait. Soms mogen we haar helpen met haar korset en dan priegelen onze kindervingers met de kleine haakjes. Oma lijkt wel een heks in haar nachtpon. In het kastje bewaart ze blikjes met Haagse hopjes en met laurier drop. De hopjes kleven aan onze tanden en de laurierdrop kleurt onze tanden grijs. Ze houdt van bloedworst, waar ik van gruwel. Ze draagt een goudkleurige bril met doorzichtige vierkantjes die haar ogen onheilspellend vergroten.

We staan stil bij de grote variatie aan grijs, wit en zwart getinte stenen, oud of glanzend. Nieuw, gebroken of glimmend marmer, of donker grindachtig grimmig zwart, bemoste stenen, mooi of intens lelijk. Ik ben acht jaar en mijn fascinatie voor de dood begint daar. Zij prevelt de namen en vertelt wie ze waren. Mijn oma kent de doden. Ik luister ademloos.Terwijl de laatste sneeuw groezelig het pad onder de hoge beukenbomen bedekt, loop ik aan de hand van mijn oma over de begraafplaats. Het is koud.
Vele jaren later, sta ik op dezelfde begraafplaats met mijn vader. Aan de hand van mijn vader staat mijn dochter. We staan onder de grote, groene treurwilg die te zien is, vanuit het huis van mijn ouders. We staan rondom het graf op het verende gras. Onder de treurwilg ligt een zusje van mijn opa begraven. Ze stierf jong. Mijn vader laat onbekommerd zijn tranen vloeien. Oud worden en oud zijn heeft soms bijna iets beschamend. Mijn dochter en ik staren ongemakkelijk naar het graf.

Destijds op dat kerkhof met mijn oma, realiseerde ik me voor het eerst mijn sterfelijkheid. Het overdenken van de dood, de vragen, de angsten rondom het sterven brengen onrust bij me teweeg en maken me tegelijkertijd extra bewust van de troostrijke en bijzondere ervaringen, die in mijn  leven langs komen.