Armoede

Eergisteren reisde ik eersteklas. Noodgedwongen. Er was een trein uitgevallen en omdat ik een trouwe ns-betaler ben, zei mijn rode hart mij, dat ik plaats mocht nemen tussen de “gegoede” burgerij. Ik zat naast een moeder en dochter. Zij zagen er goed gekleed en verzorgd uit. En hun leven leek fantastisch. Met luide stem vertelden zij elkaar hun succesverhalen. Ik aanschouwde hun verhalen en voelde me somber worden. Ik kon dat gevoel in mezelf aanvankelijk niet zo goed plaatsen. Totdat meisje aan de deur, een dag later. Ik begreep opeens dat er veel mensen zijn in materiële welstand, die niet meer weten wat er ook om hun heen is. Die leven op Facebook, de leukigheid en de successen. Ik pleit dan voor het omzien naar elkaar en soms voor het delen van teleurstellingen. Teleurstellingen in ons eigen leven. Teleurstellingen die er mogen zijn: in de liefde, door ziekte die op ons pad komt, de pijn om onze ouders, onze relatie met hen, de onmacht om je kinderen die soms iets anders doen dan je had verwacht,  de teleurstellingen in ons werk: dat we niet om kunnen gaan met een leidinggevende die ons dwars zit, een dierbare die we dreigen te verliezen, dat we worden afgewezen of worden uitgesloten, dat we ons vergist hebben.
Laten we niet alleen maar wegdromen in onze welvarendheid en ons goed functionerende persoontje.

Er was dus een meisje aan de deur. Wij zaten net te eten. Ze was een jaar of 20.
Ze vroeg om geld voor gezinnen die onder de armoedegrens leven. Mijn man deed open. Ik luisterde naar haar verhaal. En ik luisterde hoe mijn man haar ondervroeg. Wantrouwend. Ik snelde naar de deur. Ik wil altijd graag geven. Omdat ik vind dat wij het zo goed hebben.
Ik vond mijn man te streng. Het meisje droeg een groot pak speculaas. Ze vroeg een tientje voor dat pak speculaas. Ik duwde mijn man op zij. Toen gaf ik dat tientje, en dat pak speculaas hoefde ik niet. De website waar ze over sprak bestond. Het kaartje om haar nek zag er betrouwbaar uit, toch voelde ik me later belazerd. Ik wenste dat ik mijn man was gevolgd in zijn strenge houding. Dat tientje konden we prima missen, maar het was wel erg veel voor een pak speculaas. De volgende avond, het was vrijdag, we zaten net lekker met ons glaasje wijn op de bank om het weekend te starten, stond er een jongen voor de deur. Ook hij droeg een kaartje om zijn nek. Nog voor hij aanbelde schudden wij allebei krachtig ons hoofd. We dachten weer aan het meisje. En hoe het als een lopend vuurtje door de buurt ging, dat wij een tientje betaalden voor een pak speculaas. Hoe suf dat was. Ik bedacht toen maar dat het meisje het geld kennelijk hard nodig had gehad. En dat we in al onze welstand, daarmee haar geholpen hadden. Dat we ons “meegevoel” voor armoede getoond hadden.

Vandaag is het Goede vrijdag. De dag van het “ultieme lijden.”
Ik sprak zo juist mijn vader van 85. Hij houdt enorm van klassieke muziek en bezocht gisteren de Mattheus Passion. Met geëmotioneerde stem vertelde hij me hoe prachtig het was geweest. Vanochtend las ik de krant. Ik ben al jaren een groot fan van psychiater Dirk de Wachter. In het interview proclameert hij het “lijden.” Hij benoemt in het artikel (“We lijken het lijden verleerd”) de idealisering van de vrijheid die “ik” heet. “ “We moeten alles alleen kunnen en vanuit onszelf fantastisch zijn. Lijden past niet in dat idee van maakbaarheid, dus doen we maar alsof het er niet is”, zo stelt hij in het artikel.
Ik ben geen voorstander van de ‘emo-cultuur” waarin we het lijden uitvergroten. Ik zie wel steeds meer dat lijden een functie heeft in ons leven en dat het omgaan met onze tijdelijkheid, het omgaan met pijn, met verlies en met de dood ons leven misschien wel zin geeft. Geestdrift, bezieling en bevlogenheid kunnen volgens mij alleen dan bestaan in het lichte. Door af te zien, door iets moeilijks te doen of door iets te doen voor iemand anders, die het moeilijk heeft raken we wellicht wat minder gericht op ons eigen ikje. I

 

https://www.trouw.nl/samenleving/we-lijken-het-lijden-verleerd~abc63a14/