Gekte

We deelden het zelfde afdakje en een boterham met pindakaas. Toen ik aan kwam lopen stond hij er al. Met zijn dikke buik versperde hij me min of meer de weg. Het motregende. Hij droeg geen jas. In zijn lichtblauwe wat vlekkerige V-hals trui zag hij er versleten uit. Ik herkende zijn wat stramme houding en zijn bruinoranje nicotinevingers, met daartussen een eeuwige sigaret. Zijn houding was desondanks kaarsrecht en er ging ook iets intimiderends vanuit.
Hij vroeg me om geld voor de bus. Wat ik niet had met mijn goedwerkende pinpas.
Hij vertelde dat hij naar Scheveningen wilde.

Het bezoek dat ik had gebracht aan de grote psychiatrische instelling aan de rand van Den Haag bracht me terug in de tijd.
Ik maakte weer kennis met de chronische psychiatrie en proefde het onvermogen van onze samenleving om daar mee om te gaan. Mensen met permanente stemmen in hun hoofd, wanen, of mensen die zich uitverkoren voelen en daarop hun gedrag afstemmen, mensen in eindeloze verwarring of manie. Komt het door de genen of door de opvoeding? Komt het door een tekort of door een haperend stofje in het hoofd? Ik zou willen begrijpen waarom de een wel over het randje dondert en de ander niet. Over het randje richting die grote gekte en dan diep, diep valt en er nooit meer uit komt. Terechtkomend in de wereld van de pillen, de pillen en de opnames.

Het heeft  iets kokets om met de grote gekte te flirten maar op de een of andere manier intrigeert mij de gekte van een ander, evenzo als de gekte van mezelf, de kleine gekte die iedereen wel kent, die het leven boeiend en veelzijdig maakt en die ons scherp houdt en waar we mee leren leven, of waarom we leven. Daar zijn ze weer: ons onvermogen, onze kwetsbaarheid, onze tekorten, onze dwarsigheid, onze rebellie. Daar zijn boeken over vol geschreven….Grote gekte kan charmant zijn en duivels. Misschien wil ik iets duiden wat nooit te duiden valt. De wereld van de chronische psychiatrie. Waar psychiaters met de rug tegen de muur staan. En dan maar weer de pillen. Of een opname.

In het dorp waar ik opgroeide woonden twee dorpsgekken. In hun corduroy inrichtingspakken liepen zij door het dorp. De een droeg een ketting met een klok. Hij kreeg de naam “ opa klok.” Hij wist altijd de tijd, met de juiste precisie aan te geven. De andere luisterde naar de naam Riek. Hij noemde mij en mijn zussen altijd femkes.

Zeven jaar werkte ik met chronische gekke mensen. Met enkele van hen had ik een zeer goede verstandhouding. Ik denk nog regelmatig terug aan hun onvermogen en hun vermogen, aan hun hospitalisatie. Ik herinner me het jonge meisje dat een fles spiritus leeg dronk en net op tijd gevonden werd. Ik herinner me de levens voor opname, waarover ze me vertelden. Ik herinner me de kunstenaar die Paul Klee imiteerde. Hij deed dat weergaloos. En met een oneindige precisie. Zijn kamer hing vol met reproducties, met zijn hand vervaardigd. Ik herinner me de jongeman die eindeloos foto’s van mij knipte, tijdens uitstapjes en die bewaarde in een la op zijn kamer. Die me op een donkere avond met een mes bedreigde en die ik er van wist te weerhouden om daar in door te zetten. Sommige bewoners hadden het lef om het leven te vieren. Ik herinner me een rijke dame die eens per 6 weken een taxi liet voorrijden en dan in flamboyante kledij op stap ging. Ze kwam altijd licht-dronken en tevreden terug. Ze had zich vermaakt.

Ik herinner me de enorme hoeveelheid pillen, de haldolspuiten en de geur van verschraalde sigaretten. Ik herinner me hun talrijke ziektebeelden, opgenomen in hun dossiers. Ik herinner me de passieve wachttijd, waarop. Ja waarop?
Ik herinner me het pionieren met de rehabilitatie van bewoners, vergaderingen waarin we bedachten hoe de bewoners in een beschermde woonvorm volgens hun eigen manier geactiveerd en benaderd moesten worden. Ik herinner me ons onvermogen en onze frustratie.
Ik herinner me het moment dat ik deze psychiatrie de rug toe keerde. Zo mijmerde ik over de gekte terwijl ik met hem sprak. Ik zag dat hij blij was. Ik was ook blij voor hem. Tegelijkertijd werd ik overvallen door een oneindige treurigheid. Hij stapte net als ik in de bus, die na ongeveer een kwartier arriveerde. Hij kende de chauffeur. Die hem instemmend toeknikte. Hij zat aan de andere kant van het gangpad naast me. Hij wendde zijn blik triomfantelijk tot me. Ja, hij ging naar Scheveningen.