De jas

Toen ik 20 jaar was kreeg ik van mijn moeder een karmozijnrode mantel. Het was een dure zwierige en  opvallende jas voor een dame, die ik toen nog niet was. Een jas waar ik me dus niet echt in thuis voelde. Hij was te lang voor op mijn racefiets, waar ik toen veel op fietste en hij paste ook niet bij mijn oude zwarte opoe fiets, waarmee ik me dagelijks door de stad bewoog. Toch was het mijn jas en een gift van mijn moeder. De keuze voor deze jas was beïnvloed door haar mee-kijken. Hij was ook beïnvloed door de erkenning die ik veelvuldig zocht bij mijn ouders. Mijn moeder was spaarzaam in het geven van die erkenning. De jas was bovendien heerlijk warm en viel op. Dat deed ik toen graag. Ik was een halve hippie in de jaren 80. Vaak droeg ik 2e hands kleding, die ik op de kop tikte op markten. Oude blouses, broeken, regenjassen en jurken bepaalden mijn stijl.

Toen ik die winter stage ging lopen in de verstandelijke gehandicaptenzorg en daarvoor in een zusterflat op de Veluwe bivakkeerde maakt ik kennis met mijn stagebegeleider die een Bhagwhan aanhanger was. Hij fladderde in zijn rode pak over de afdeling en speelde tussendoor prachtige liederen op de oude zwarte piano die in de woonkamer in een hoekje stond. Ik vond hem een “vrije geest”. Hij woonde in de Bhagwan commune in Heerle, waar ook Ramses Shaffy toen een bed had, en waar wij een paar keer met het team vergaderden. Bhagwan (Gezegende, God, was toen al in populariteit aan het afnemen (het waren de jaren 80)) begon in de jaren 70 discipelen te initiëren, die hij een nieuwe naam gaf en een mala (kralenketting) met een fotootje van hemzelf eraan. Hij droeg hen op dagelijks te mediteren en voortaan alleen maar oranjerode kleding te dragen, de traditionele kleur van de sannyasins of asceten in India. Om de initiatie te ontvangen hoefde men niet aan bepaalde voorwaarden te voldoen, zoals gebruikelijk was bij de traditionele vorm van sannyasin. Evenmin eiste Rajneesh (de oorspronkelijke naam van Bhagwan) een ascetische levenswijze, integendeel: hij moedigde zijn sannyasins aan om het leven te omhelzen en vrij te experimenteren met seks. Mijn begeleider vond mijn karmozijnrode mantel prachtig en ik moet eerlijk bekennen dat deze uitspraak een ander licht op mijn jas wierp. Het was een koude winter en ik droeg mijn jas daar op de Veluwe veelvuldig.

Gisteren kwam mijn zoon enthousiast de trap op rennen. Ik stond de was te vouwen. Hij toonde mij met een hongerige blik zijn nieuwe jas. Het was een zwarte mantel. Een mantel voor een heer. De wollen jas reikte tot zijn knie en viel sluik om zijn lichaam. Mijn zoon leek een heer. De jas kostte 100,– euro, eigenlijk niet duur voor een wollen winterjas. Hij noemde het zelf “een David Beckham-jas.” Ik vroeg me onmiddellijk af of deze jas een verstandige keus was. De jas leek onpraktisch. Het was zeker geen regen of weer en wind jas. Bovendien was de jas van wol. Wanneer was het nog zo koud in Nederland dat een wollen jas noodzakelijk was? Mijn eerste reactie op mijn enthousiaste zoon: “wat een onpraktische jas.” Teleurgesteld denderde mijn zoon de trap weer af. Hij wilde heel graag dat ik blij was met zijn jas. Zijn vriendinnetje liep er bedremmeld achter aan. Ik gooide er nog een schepje boven op.

Wat een geld voor zo’n jas. (…Terwijl hij niet veel geld had….) Wat een tuttige jas, was een eenvoudig jack niet veel handiger, als je ging wandelen, de bossen in. Dit was een echte stadsjas. Leuk voor “erbij.”

Mijn zoon werd steeds bozer. Wat een flut argumenten. Nee hij was dol op deze jas. Mijn dochter bemoeide zich er mee:

Dit was een echte studenten-jas. Hier mee kon mijn zoon goede sier maken. Ik moest goed begrijpen dat alle studenten zulke jassen droegen. En…. het was mode.

Mijn laatste argument: wat geef jij nu om mode, werd met een boze blik vernietigd. Ik wist dat dit laatste ook werd ingegeven door mijn hekel aan David Beckham. Ik associeerde hem met alles wat ik als een foute wereld zag. Dat mijn kind nu juist zo’n wereld als voorbeeld verkoos, voelde hoogst onplezierig. In mij resoneerde plotseling ook de kritische opmerkingen van mijn moeder: wat een onpraktische jurk en/of blouse, wat een slordige broek. De irritatie die dat destijds opriep. Dus ik staakte mijn kritiek en verzonk in mijmering. Ik vond het belangrijk dat mijn kinderen eigen keuzes leerden maken. Dat ze met vallen en op staan van het leven leerden. Waarom bemoeide ik me dan zo met deze triviale keuze? Was ik geïrriteerd omdat het vriendinnetje van mijn zoon de keuze voor deze jas mede had bepaald?

Wat een ophef van mijn kant over een jas. Werd dit veroorzaakt door bovenstaande geschiedenis? Of kon ik het niet hebben dat mijn zoon andere keuzes maakte (of dezelfde?) als ik destijds. Misschien was deze keuze wel verpakt in het gaan van zijn eigen weg op alle fronten van het leven. Mijn zoon was 20. Hij woonde al een jaar op kamers. Hij deed het goed daar. Ik was trots op hem.

Ik wist dat hij aan het loskomen was van de emotionele binding met zijn ouders. Dat dit soms een klus was. Daar hoorde ook bij: durven afgaan op het eigen oordeel en durven ingaan tegen de druk van leeftijdsgenoten en ouders. Mijn zoon zat midden in dat proces. Ik wilde hem leren loslaten besefte ik gistermiddag. Hoe moeilijk ik dat vaak ook vond.