Verdwaald

Later die ochtend ging ik met mijn moeder naar de kapper. Mijn centrale vraag van die ochtend was: wat ziet en begrijpt mijn moeder nog van de wereld?
Ik geloofde niet dat ik me dat kon voorstellen. Ook niet toen we stevig gearmd door het land van mijn kinderjaren naar de kapsalon liepen. Het was een vertrouwd tochtje, bijna 20 jaar had ik in dit dorp mijn voetstappen gezet en mijn geheugen associeerde dus met diverse plaatjes op onze route naar de kapper: langs de begraafplaats waar ik ’s nachts regelmatig uitkeek over de graven, vanuit mijn bed door het raam van de balkondeur, mijmerend over de dood en het einde van het leven, terwijl mijn leven nog moest beginnen. Ook langs “Stalen Hendrik” wiens blote billen mijn zussen en ik bewonderden toen we als 7-8-jarigen ons rondje liepen over de grote keien om het oorlogsmonument, waar elke 4 mei de herdenking plaats vond en waarna wij de verwelkte bloemen en linten bekeken, met iets van ontzag voor diezelfde Stalen Hendrik die kennelijk die bloemen verdiende, een gift die ik nauwelijks begreep. En even later onder de majestueuze beuken door, waar we “landjepik” speelden met de buurkinderen en waar we beukennootjes zochten op onze weg naar school, langs het twee-onder-een kap huis aan de Torenlaan waar ik een groot deel van mijn jeugd door had gebracht, en om de mooie statige Drentse hervormde kerk, die het begin van de laan vormde waar dat geboortehuis stond.
Mijn moeder las hardop de teksten die we tegenkwamen. Stevig hield ze me bij de arm. En ik pakte bovendien haar hand om haar nog meer zekerheid te verschaffen op deze voor haar zo (on)bekende weg. Hoe erg is het om zo verschrikkelijk verdwaald te zijn?

Ik keek die ochtend in haar lege blik. Ik zag haar ter plekke een antwoord verzinnen op mijn lastige vraag. En ik realiseerde me dat ik geen idee had.
In hoeverre ze nog contact ervoer met de wereld om haar heen was me een raadsel. Een wereld die haar vanaf haar 26e jaar, toen ze huwde met mijn vader vertrouwd moest zijn. Een wereld waarin ze vanzelfsprekend geleefd had. Een wereld waarin de taal van haar scherpe verstand haar leidraad was geweest. Een wereld waarin haar huis haar omsloot als een goed zittende jas.
Telkens weer schiet ik in de lach als ze haar scherpe opmerkingen maakt. Ik schiet in de lach als ik merk hoe mijn moeder, die ooit de netste vrouw van het dorp was, een laconieke houding ontwikkelde met het uiterlijke presenteren, voor zowel haar eigen uiterlijk als dat van haar huis en zich het liefst verschanst in een oud vest met dito broek in dit stoeltje voor het raam met zicht op de bomen, de lucht en de wolken, het vogelhuisje en de basisschool, die ook haar kinderen ooit bezochten. Nog steeds put ze uit haar arsenaal met spreekwoorden en gezegdes, die haar blik op de wereld verraden of bedekken, t’is maar hoe je het bekijkt. Hoe goed kennen we onze ouders eigenlijk? Ik stel mezelf regelmatig de vraag of ik mijn moeder eigenlijk gekend heb toen ze nog niet verdwaald was. Het is moeilijk om te erkennen dat ik nauwelijks meer weet wie ze eigenlijk is geweest. Denken, lijden en lachen rondom dementie.

Geen spoor meer van de mooie jonge, gelukkige vrouw onder de appelboom in de zwierige lichtblauwe jurk met witte stippen die verlangend en schrander in de lens van de camera blikt. Mijn vader moet de foto als verliefde jongeling ongeveer 60 jaar geleden hebben gemaakt.
De foto’s van haar leven bekijkt ze graag. Het is alsof ze naar iemand anders leven kijkt, met een hoofdrol voor haarzelf. Bewonderend noemt ze de namen. Geïrriteerd smijt ze het boek weg als ze een vraag niet weet te beantwoorden of gewoon omdat de concentratie veel van haar vraagt. Nu is het genoeg. Het niet weten overschaduwt het weten. In haar overzichtelijke wereld in haar stoel, wenst ze niet te worden lastig gevallen door dit niet weten. Haar magere en fragiele gestalte komt moeizaam overeind uit het favoriete stoeltje voor het raam waar ze praktisch al haar tijd doorbrengt. De vraag die ze zichzelf om het uur nog stelt gaat over haar steun en toeverlaat: mijn vader. Waar is Piet? Als hij niet in de buurt is zal ze hem vinden. En ze start haar zoektocht dwalend door het grote huis.
Dat zij ooit zelf de steun en toeverlaat voor mijn vader was, die zich graag bewoog in de uiterlijke wereld, maar toch telkens weer terugkwam bij mijn moeder, lijkt ze vergeten.

Ik observeer haar van een afstand in de kappersstoel. Haar haar is gewassen. Lief en afhankelijk kijkt ze op naar de kapster. Haar wereld is nu en klein. Haar verhouding tot de wereld oogt dun en machteloos. Haar vreugde lijkt te bestaan uit dankbaarheid voor hen die haar wereld duiden. Ik zag mijn moeder nooit zo dankbaar. Nooit zo lief en kwetsbaar.