Angst

Veel kwelt ons meer dan nodig is, veel kwelt ons voordat het nodig is, veel kwelt ofschoon het helemaal niet nodig is (Seneca).

De buurman kwam de dag voor Kerst met de vraag of we de komende twee dagen op zijn huis wilden letten, omdat hij de kerstdagen elders doorbracht. Kennelijk was hij beducht op inbrekers zo rond de kerstdagen. Natuurlijk zijn wij die goede buur. Zijn vraag riep bij mij ook beelden op. Wie of wat zou zijn huis de komende dagen kunnen bedreigen? Vuurwerk? Inbrekers? In ons zo rustige straat waar nooit iets gebeurde? Waarvoor was hij bang?

Als ervaring, als gevoel en als verwachting houdt angst me al mijn hele leven bezig. Er zijn nogal wat zaken die we als mens “doorstaan.”
Ik ben bijna voor alles bang geweest in mijn leven: voor honden, katten, spinnen, mensen, mannen, de liefde, het leven, de dood, voor gebeurtenissen zoals een kind krijgen, zoals iemand of iets verliezen, maar ook panisch bang voor onweer, voor ziekte en voor het donker. Toch spring ik inmiddels over een hekje in plaats van me te laten stoppen door die angst en met een wijde boog om dat hekje heen te lopen. Angst is een slechte raadgever zei ooit iemand tegen me.

Angst wordt gevoed in een samenleving waar eigenlijk niet zo veel is om echt bang voor te zijn. Er dreigt geen oorlog, er is geen honger. Toch is angst een van meest voorkomende psychische kwellingen in onze westerse wereld. Angst kan traumatisch van aard zijn, maar ook irreëel. Angst, zo heb ik ooit geleerd, roept een nuttig gevoel op, waarmee ik een gevaarlijke situatie kan vermijden.
Het omarmen en erkennen van onze angst is een dapper proces. Als een mens zijn eigen angst dan onder ogen ziet en deze vriendelijk benadert, dan verdwijnt die angst, is mijn ervaring. Als wij onszelf zien als gezonde, verstandige en deugdzame mensen dan gaat er een wereld voor ons open. Zo overwon ik ooit mijn angst om onbekende of spannende dingen te doen.

Het leven kan van het ene moment op het ander veranderen. Ik kan mijn baan verliezen, ziek worden, onder een auto komen…. Ik kan een dierbare verliezen. Morgen of over een jaar. Of misschien over dertig jaar. Niets is immers zeker, nu niet en nooit niet. Dat te weten doet me eerder over hekjes springen. Dat te beseffen doet me bovendien waarderen dat ik gezond ben, hoog opgeleid, voldoende geld heb, redelijk intelligent ben én doet me beseffen dat ik in een tamelijk vrij en rustig land woon, waar het nog goed toeven is.
Als ik de krant lees word ik pessimistisch over ons wereldbeeld, over onze levenswijze, onze keuzes. Narigheid die nog vaak ver van ons bed is in onze westerse wereld, komt steeds vaker akelig dichtbij. Voldoende reden om je zorgen te maken of om je angsten te voeden of te voelen. Of om onze heilige huisjes overdreven te beschermen. En dat doen we veelvuldig. Mijn eigen heilige huisjes indachtig en die van vele anderen: politici, burgers, mensen. We laten ons verleiden door onwetendheid en verwarring.
Angst kan een emotie zijn waartoe wij ons slecht hebben leren verhouden. Aristoteles stelt dat het hebben van een emotie niet goed of slecht is, maar dat wat we er mee doen pas in aanmerking komt voor een moreel oordeel. Emoties zijn natuurlijk, maar dat betekent nog niet dat ze altijd bestaansrecht hebben. Moed kan een tegengif zijn voor angst: de moed om je land te verlaten en alles achter je te laten wat je een leven lang hebt opgebouwd bijvoorbeeld. Of de moed om alleen te staan, als niemand jouw mening beaamt. Of de moed om iets te doen, wat niemand van jou verwacht.