De sinaasappel

In een trein valt regelmatig iets te beleven. Ik zie een keurig geklede jonge vrouw van rond de twintig aan de ander kant van het gangpad plaatsnemen. Ze hangt haar jas op het haakje boven haar hoofd en opent haar tas. Ze pakt een sinaasappel uit haar tas. De sinaasappel ziet er uit om op te eten. Ze legt hem op het tafeltje voor haar. Met haar rechter hand vist ze een zakdoekje uit een pakje en vouwt die nauwkeurig uit op haar schoot. Ik kijk verholen nieuwsgierig toe. Wie eet er nu een sinaasappel in de trein, denk ik.

De sinaasappel rolt even later tussen haar geroutineerde handen. Ik kijk en ik denk aan mijn moeder. Die at na elke warme maaltijd een sinaasappel. En rolde hem net zo tussen haar handen. Mijn moeder had een vlijmscherp fruitmesje met een houten lemmet. Met dit mesje kerfde ze twee rechte lijnen  die elkaar kruisten, over de schil van de sinaasappel. Hierdoor kon ze de schil in mooie, evenwichtige parten van de sinaasappel af trekken. De schillen vielen op het tafelzeil en vormden daar een stilleven, telkens weer anders.

Het meisje pakt het niet zo aan als mijn moeder.  Ze heeft geen mesje, maar pelt met haar mooie, gemanicuurde vingers een klein stukje van de bovenkant van de sinaasappel. Met aandacht en geduld legt ze het stukje schil op het zakdoekje. Vervolgens pelt ze zo nog een stukje en nog een stukje en nog een stukje. Steeds sneller vervolgen de vingers hun tocht over de oranje bol. Alras verschijnt de  vrucht. Nauwgezet vallen de ongelijke schillen op het zakdoekje. De sinaasappel geurt. Zonder een druppel te morsen verdwijnen even later de parten in haar mond. Ze eet ze in een ritme.  Het ziet er mooi uit.  Het ziet er gezond uit. Het ziet er perfect uit.

Ik vestig mijn aandacht weer op mijn boek. Ik bedenk dat ik nooit zo een sinaasappel zal leren pellen en ook nooit zo een sinaasappel zal durven eten in de trein. Het schouwspel blijkt echter nog niet afgelopen.  Nadat het laatste stukje in haar mond is verdwenen, vist ze met de toppen van haar puntige vingers wederom het pakje papieren zakdoekjes uit haar tas. Met een traag gebaar veegt ze haar vingers  één voor één af. Het zakdoekje beweegt  langs alle vingers: van het bovenste kootje langs de knokkels richting  de toppen en aan de andere kant weer terug. Hierna legt de  jonge vrouw het zakdoekje voldaan op de schillen. Ze vouwt het zakdoekje dicht. Maar dan: als zij de schillen in het gangbare treinprullenbakje wil deponeren blijkt deze afwezig. De prullenbak hangt niet meer op zijn plek. Ik volg haar blik en observeer haar verwarring. Onzeker richt ze haar blik op mij aan de  overkant van het gangpad. Naast mij treft zij wel een prullenbak. Uitnodigend open ik de prullenbak met mijn rechterhand. Ik ben blij dat ik deze bijdrage kan leveren. Het meisje staat op en werpt de schillen in de bak. Bijna onverschillig. Ze kijkt teleurgesteld.