Nieuwjaar

Noroez is een feest van loutering en verzoening, van hoop en een nieuw begin, van dood en leven, dat wordt gevierd rond 21 maart. Dit jaar viel het op vrijdag 20 maart. Ik las dat Noroez “nieuwe dag” betekent. Het was de dag dat ik voor mijn boekenkast stond.

Ik dacht aan Pari die ons uitlegde hoe het nieuwjaar rond 21 maart startte, het Noroez, een oud Perziche feestdag, een lentefeest. Ze vertelde en toonde hoe het werd gevierd. Ik vond het mooi hoe ze 7 voorwerpen op een schaal legde die met een s begonnen, de Perzische letter Sin. Van oorsprong was het een Zoratristische feestviering die ook in Afghanistan, Oezbekistan , India , Kirgizië en Kazachstan werd gevierd, begreep ik vandaag.
Soms had ik geen opvang voor mijn pasgeboren zoon en net als andere collega’s nam ik hem dan heel af en toe mee naar mijn werk, waar Pari voor hem zorgde. Ze noemde Simon Simoni en was heel lief voor hem.

Ik las het boek Aria (geschreven door Nazanine Hozar) “Een geweldig epos over de Iraanse revolutie (aldus Margaret Atwoord), een dokter Zhivago van Iran.” Dat was precies de reden waarom ik het kocht. Het verhaal startte in 1953. Ik las over ingrijpende keuzes die de hoofdpersoon moet maken en de consequenties die de Iraanse politiek had voor menselijke relaties. Het boek was slecht vertaald, maar het verhaal was pakkend. Dus las ik verder, want het relativeerde de coronacrisis.

En toen bracht dit verhaal me terug in de tijd. Opeens begreep ik wat het betekend moest hebben voor Pari, Reza, Feresteh, en Shirani. Iraanse vluchtelingen die ik leerde kennen tijdens mijn werk voor vluchtelingenwerk in de jaren 90. Feresteh, was kapster. Ze knipte eens mijn haar. Ik mocht bij haar tuis komen, daar was het glamoureus ingericht. Ze liet me foto’s zien van haar familie, in paleizen en chique jurken. Ze aanbad de sjah van Perzië. Daar was ze heel eerlijk in. Ze had iets koninklijks en ze was gul, ik kreeg meerdere keren prachtige cadeautjes van haar. Ik wist niet zo goed wat ik ervan moest denken. En daar was Reza, hij was de beheerder van de kantine, maakte broodjes voor ons in de lunchpauze en vrolijkte ons op. En tot slot was er nog Shirani, zij leerde mij Iraans dansen, tijdens een picknick die ik in het voorjaar in mijn huis voor mijn groep organiseerde. Ze was wulps en mooi. En mijn man en ik keken wat verlegen toe terwijl zij danste in onze woonkamer in Rotterdam. Ze waren allen gevlucht uit Iran tijdens de Iraanse revolutie, na de start van ayatollah Khomeini. Hun verhalen en namen keerden terug in mijn hoofd tijdens het lezen van Aria. Pas nu besefte ik hoe complex de politieke situatie in dit land was geweest en hoe ingewikkeld het moest zijn om op te groeien in Teheran, het Iran van de jaren 80/90.

Tegelijk met het leren lezen meer dan 55 jaar geleden, leerde ik dat teksten deuren openden naar een andere wereld. Een wereld die verfrissing, troost, verdriet, verbazing, ontzag of wijsheden bloot konden leggen. Ik leerde dat teksten me uit de penarie konden helpen.
Soms omdat ze antwoord gaven op vragen, soms omdat ze me door eenzame uren hielpen. Lezen bood avontuur. “ Wie leest leeft dubbel”. Romans en verhalen vertolkten voor mij het leven. Soms vertolkten ze mijn eigen niet geleefde leven, soms boden ze een kans om te gaan leven…Ze versterkten mijn inlevingsvermogen en ontwikkelden bewustzijn.

In mijn liefde voor lezen ben ik schatplichtig aan mijn ouders. Het was mijn vader die mij en mijn zussen altijd voorlas, tot ons 10e jaar. -Ik weet niet meer waarom er een eind aan kwam, waarschijnlijk omdat we zelf hartstochtelijke lezers waren geworden-. En het was mijn moeder die ons van boeken voorzag. Voor elke dochter koos ze een serie. Met Sinterklaas of op onze verjaardag, kregen wij een deel. Die series rouleerden tussen ons zussen en brachten vertier en ontspanning.

Een behoefte aan boeken, een verlangen naar verhalen, is toen geboren. Ik ben eerlijk, ik werd een veelvraat. Literatuur, poëzie, maar ook lectuur, filosofie of een essay. Mijn verlangen om te lezen gaat niet alleen over literatuur met een hoofdletter. Al wil ik een minder goed geschreven tekst meestal wel compenseren met een echt goed geschreven tekst. Toen ik rond mijn 27e Nederlands ging studeren, was dat omdat ik een grote liefde koesterde voor verhalen en taal.

Vertwijfeld stond ik eergisteren voor mijn boekenkast. Die boekenkast is al jaren een ratjetoe. Stapels boeken, boeken die niet meer pasten, studieboeken, vergeten boeken. Ik hield het al lang niet meer bij. Boeken die ik weg wilde doen, maar door hun verhaal niet weg kon doen lagen in stapeltjes voor de kast. Van sommige boeken wist ik nog de precieze reden van aanschaf toen ik ze kocht of kreeg. Of hoe mijn stemming toen was. Hoewel ik regelmatig boeken weggaf de afgelopen jaren, kocht ik ook weer bij. Ik kon het niet laten. Dus de stapels buiten mijn kasten slonken nauwelijks. En het lezen nam niet af.

En zo lijkt het tijd voor een nieuw begin, een loutering en een verzoening met het afscheid. Ik verlang daarbij naar een Marie Kondo die me helpt met ordenen en ontboeken. Die me steunt om eervol afstand te doen en me helpt mijn boekenkast overzichtelijk en hanteerbaar te maken. Die me leert verhalen los te laten, waardoor er ruimte komt voor nieuwe, een soort van nieuwe dag, een nieuw begin in mijn leven en in de boekenkast.

Geld

Ik zat op het toilet in een café en las op het tegeltje: Beter rijk te leven, dan rijk te sterven. Wat is rijk?

Ik ben opgegroeid in redelijke welstand als dochter van een succesvolle ondernemer. In hoogtijddagen had mijn vader drie bedrijven onder zijn hoede. Geen uitdaging was wat hem betreft te groot. Dat hij daar goed mee verdiende was voor mijn moeder een belangrijke reden om hem te huwen in 1959. Hij was een zogenaamd “gewenste partij.” Ik genoot van een onbezorgde financiële jeugd. Afhankelijk van zijn stemming deelde mijn vader vijfjes, tientjes of vijfentwintigjes uit. De briefjes die hij nonchalant uit zijn zak viste en met zichtbaar plezier aan zijn kinderen overhandigde brachten mij niet de waarde bij van geld. Maar laat ik eerlijk zijn. Het was zijn geld dat ons redde in 2008 en het is zijn geld dat ons ruimte biedt in 2020.

Natuurlijk wist ik wel dat binnen de gegeven sociaal economische context geld als enig middel werd aanvaard om in het leven “vooruit” te komen. En misschien was dat wat ik er het meeste op tegen had. Ik wilde niet “vooruit” komen en al helemaal niet door geld te vergaren. Ik ervaarde het telkens weer als een schijnbare werkelijkheid, die blik op dat geld. Liever had ik een basisinkomen gehad. Of een ruilmiddel waarmee ik goederen en diensten kon betalen. Misschien zette ik me af tegen mijn ouders die als ondernemersechtpaar het altijd goed hadden gehad. Natuurlijk profiteerde ik daar van. Mijn verhouding tot geld was nogal wisselvallig.

Ongeveer 35 jaar geleden schreef ik mijn ouders een brief. Een smeekbede om geld. Ik had die zomer een prachtige zijden broek gekocht, ver boven mijn budget. Mijn inkomen bestond uit geld dat ik verdiende met een bijbaantje in een snackbar, aangevuld met een welkome maandtoelage van mijn ouders, waarmee ik o.a. de huur van mijn kamer in Zwolle betaalde. Die maand stond ik voor het eerst rood, later werd dat een vanzelfsprekendheid. Ik heb nooit leren sparen – er was ook geen geld om te sparen.

Geld. Geld. Geld. Er is geen geld of is er niets dan geld…… We gebruiken het fijne geld, het goede geld, het wijze geld. Ook het foute geld, het vuile geld en het uiterlijke geld. We maken het leven hanteerbaar met geld want we hebben geld nodig om te leven. Geld biedt kansen, vaak een uitweg. Geld creëert een illusie. Teveel geld kan stress veroorzaken. Geld lijkt soms een zinvol bestaan in de weg te staan. Geld creëert macht en omgekeerd. Geld biedt een uitkomst in oorlogen, veroorzaakt foute keuzes en creëert ongelijkheid. Een chronisch tekort aan geld kan angst en frustratie en machteloosheid creëren met in het ergste geval dakloosheid tot gevolg.
Onlangs las ik Het Zoutpad, (The Saltpath) dat het verhaal beschrijft van een echtpaar dat dakloos raakt door een verkeerde financiële beslissing. Het is een waar gebeurd verhaal en spreekt tot de verbeelding van veel mensen, want het werd een kassucces (sic). Het boek over een leven in armoede dat ook rijkdom in zich draagt stemde tot nadenken.
Raynor Winn en haar man Moth zijn al meer dan dertig jaar samen. Hun oude boerderij in Wales hebben ze in de loop der tijd steen voor steen opgeknapt en omgebouwd tot een goedlopende B&B. Dan raken ze binnen een paar dagen alles kwijt: ze verliezen hun huis door een speculatieschandaal en ze krijgen te horen dat Moth een ernstige ziekte heeft. Ze hebben niets meer over en nog maar weinig tijd. Met de moed der wanhoop nemen ze een impulsief besluit: ze gaan de eeuwenoude South West Coast Path lopen, weg van alles en iedereen. Het is een tocht van duizend kilometer langs de zuidkust van Engeland.
Met twee rugzakken en een kleine tent beginnen ze hun wandeltocht door het oeroude, verweerde landschap van rotsen, kliffen, zee en lucht. En daar gebeurt het. Met elke stap, door iedere ontmoeting, en ondanks alle moeilijkheden die ze onderweg tegenkomen, verandert hun tocht verder in een bijzondere ontdekkingsreis. (citaat Bol.com)

In de jaren 90 was ik trajectbegeleider en NT-2 docent bij de Taalschool voor Vluchtelingen in Rotterdam. Sommigen leerde ik kennen en hun verhalen waren hartverscheurend. Zij moesten hier bij 0 beginnen. Door het werken met vluchtelingen besefte ik hoe goed ik het had en hoe rijk mijn leven was.
De bomen groeiden in die tijd tot de hemel voor veel mensen. Ik gaf echter alles uit wat ik verdiende en trouwde met een man met een klein inkomen. We waren tevreden met wat we hadden. Als restverschijnsel uit de jaren ‘80 waren we bang voor grote verantwoordelijkheden, voor een hypotheek -die we overigens hadden – voor goederen en voor een serieuze baan. Onze angst wisten we te verblinden met lange vakanties van 4 weken in Frankrijk in de zomer en een week Waddeneiland in de winter. Vakanties waaraan ik prachtige herinneringen bewaar. Met weinig geld wisten we te leven en te genieten. Elk jaar een gift van mijn ouders maakte dat we het redden. We waren naïef maar ongecompliceerd in die tijd. Die eerste 8 jaar van ons huwelijk met onze twee prachtige kinderen in Rotterdam Blijdorp beleefde ik als intens rijk en gelukkig.

We zagen de inkomens van vrienden per jaar groeien. En misschien was dat de reden dat we zo eind jaren 90 van de geoorloofde roodstand gebruik maakten bij de ING. Noodzakelijk om een aantal investeringen te doen, maar uiterst riskant, want die roodstand bleek te ruim voor het leven van een kleine zelfstandige. Tijdens de crisis van 2008 liepen de inkomsten in de fotografie terug. We werden wakker toen ineens in 2008 de ING bank het gebruikte krediet van 15.000 euro van de zakelijke rekening opeiste. Door de incassoprocedure kwamen we in rap tempo terecht in de wereld van het foute geld. De bank legde incassokosten op en we zagen zo onze schuld binnen enkele weken oplopen tot 20.000 euro. Dat we, net als Raynor en Moth, de verkeerde kant op hadden kunnen vallen, doet me beseffen hoeveel geluk we hebben gehad. Een lening van mijn vader heeft ons gered. En natuurlijk onze eigen houding daarna.

Als ik de werkelijkheid begrijp kan ik geld als een noodzakelijk onmisbaar goed zien. Voor niets gaat de zon op. In de afgelopen 10 jaar is er iets veranderd in mijn verhouding tot geld. Ik ben vooral onder indruk van de les die het leven ons leerde. We leerden vragen te stellen. We leerden ons herinnerde verleden te verbinden aan het heden en dat werd een manier van begrijpen. Ik leerde te accepteren dat geld een noodzakelijk goed was. Ik leerde de waarde van geld zien. Ik leerde taboes doorbreken, door geld te lenen en door daar over te spreken met anderen. Ik leerde een buiging te maken voor mijn echtgenoot, die andere kwaliteiten bezit dan geld verdienen. En tot slot leerde ik dat rijkdom vooral bestaat uit zinvol leven. Leven met woorden, zinvolle bezigheden, met natuur, leven met ervaringen van vreugde en betekenis vinden in herinneringen of in daden. Leven met liefde voor mensen en met tijdloosheid. Ik zoek naar betekenis, ik vind het vaak en soms ook niet. Ik ben dankbaar voor deze onderzoeken in een leven met  tegenstrijdigheden. En soms zaait dat verwarring.

Ouderliefde

johariwindo

De dood kan een mens wakker schudden.

Door mijn dagelijkse handelingen heen sijpelen allerlei herinneringen en momenten met mijn vader, tijdens zijn ziekbed, tijdens die laatste weken, tijdens zijn bezoekjes aan mij. Wie hij was, wie hij niet was, wie ik dacht dat hij was, wie ik vergeten was. Aan zijn leven met mijn moeder, hun leven samen. Hun geleefde leven, hun niet geleefde leven en hun leven.

Onlangs keek ik naar een interview met P.F. Thomése over zijn nieuwe boek Vaderliefde. De schrijver beseft, nadat hij allerlei ontdekkingen doet tijdens het opruimen van het huis, nadat zijn ouders beiden zijn overleden, dat hij ze eigenlijk niet heeft gekend.

Toen ik samen met mijn zussen en broer onlangs het huis opruimde van mijn ouders na mijn vaders dood, had ik een soortgelijke ervaring. Ik spitte door een doos vol documenten van mijn moeder en haar ouders. Ik vond briefjes en kaarten aan mijn opa, geschreven door mijn moeder toen ik nog klein was. Ik las ze met een hongerige blik. Ze ontroerden en toonden een jonge vrouw die haar nest aan het bouwen was. Wie was ze toen ze nog jong was? Gezamenlijk tuurden we naar een foto. “Ze was eigenlijk een hele leuke vrouw” constateerde mijn zus toen we de foto zuchtend weglegden.

De regen en de temperatuur kondigen een nieuw seizoen aan. De kleur van de lucht, de melancholische geuren. Herinneringen en bewogen momenten stuiteren over de weg die ik bewandel in de veel te natte stad. Er is er een die zich blijft herhalen.

Een beeld van mijn moeder die abrupt opstaat van tafel om met drie sinaasappels te gaan jongleren, zonder er een op de grond te laten vallen. Als meisje van een jaar of 8 keek ik ademloos toe. Ze had iets autonooms tijdens haar jongleeracties, die vaker voor kwamen, soms op verzoek. Dat autonome beeld bleef haken, bracht onrust en stelde vragen. Wie was mijn moeder, wie was ze niet, wie dacht ik dat ze was? En of ze dat ook was?

Ooit kreeg ik als Hbo-ver les over het JOHARI venster en nu leer ik mijn studenten tijdens de intervisie over het JOHARI venster, vaak ook aangeduid met de Engelse term JOHARI window. Het model geeft zicht op je open ruimte, je verborgen ruimte, je blinde vlek en  de onbekende ruimte.  In het verborgen gebied kunnen mensen informatie voor zichzelf houden en niet delen met anderen. Het verborgen gebied kan ook deel worden van de open ruimte door wel iets te delen met intimi. Ik vermoed dat een deel van zowel mijn vader als mijn moeder voor mij verborgen bleef. Voor mij, voor ons, voor mijn vader, voor de wereld.

Ze in een ander licht zetten, die ouders, ze vanuit een nieuw perspectief bekijken. En de foto’s nog eens omdraaien. Dat brengt de dood. Dat brengt mij (n) leven.


 

zij ontsnapt ternauwernood aan levensduur

zij weet niets

dus lacht zij

naar die met het aardige gezicht

naar die het haar heeft gevraagd

naar die haar nog steeds zoekt

naar die haar nog herkent

naar die haar heeft bemind die haar zacht bewoog

die haar heeft veracht op haar stoel de macht der gewoonte met zalige zondige koekjes

en in haar handpalm rust zacht zijn hand gewoon omdat dat moet zodat hij, zij, in naam van hij haar hem niets meer kwalijk neemt

troostrijk wiegen, vasthouden, lachen

en dat meenemen

tot het slot.


 

Het Huis

Het huis was nog in aanbouw. Het was de bedoeling dat we er in de winter in zouden trekken. Er was wat vertraging. Ik liep met de zoon van de tennisleraar wat doelloos door het dorp. We kenden elkaar nauwelijks, waren onzeker, zoekende, jong en rebels. Hij koos de bestemming. Zo belandden we in de nog in aanbouw zijnde woonkamer. We waren naar binnen gestapt door de kozijnen die nog geen ramen droegen. Het was een najaarsnacht begin september 1977. Het huis toonde zich geheimzinnig in het maanlicht. Het rook er naar cement en mijn jeugd. Het voelde als een triomftocht om “als eerste” bezit te nemen van het huis. We zoenden op het koude cement.

In zijn corduroy pak droeg mijn vader die geur permanent bij zich. Die geur van veiligheid, die ik opsnoof als ik bij hem op schoot zat. Het kwam van de bouwplaatsen waar mijn vader dagelijks vertoefde. Nu nog word ik getroffen door de geur van cement als ik langs bouwplaatsen loop. Een geur die in mijn neus blijft hangen.

Mijn vader koos de plattegrond van het huis in een bouwblad. En samen met een plaatselijke architect, bedacht hij hoe het er uit moest gaan zien. Het  kreeg een mooi lijnenspel, stevig en degelijk. Het huis staat er: als een kloeke baron met een klein bordes. Hij doopte de tuin tot een Beethoven. Hij vertelde het trots terwijl hij aan het schoffelen was. Ik begreep die keuze wel. De tuin is bescheiden, kleurt goed mee met de seizoenen en omgeeft het huis als een beschermjas, met diverse soorten groen. De bloemen zijn eenvoudig, klassiek, degelijk en kleurrijk. Het grasveld voelt zoals gras behoort te zijn, zacht groen en vochtig. De blote voeten van mijn kinderen mochten het op hun jaarlijkse logeerpartijen veelvuldig ervaren.

Het werd in de afgelopen 40 jaar een ontmoetingsplek waar ik mijn zussen en broer zag, waar ik bijna elke zomer met hen en mijn ouders op het terras barbecuede, het terras met mijn vader als “de immer verbindende spil”. Het werd ook een huis, dat paste in de genen van onze familie. Mijn opa en oma woonden in een huis met hetzelfde lijnenspel, bleek toen mijn zus het huis ooit tekende. Ook dat huis staat nog in het dorp waar ik opgroeide, al is het in een vervallen staat.

Onder het huis bevindt zich een enorme kelder met verschillende ruimten. In de grootste ruimte stond 40 jaar een tafeltennistafel. Op deze tafel mat mijn vader elke zondagochtend zijn krachten met een goede vriend, in de jaren 80. In diezelfde tijd speelden wij als kinderen menig toernooi met elkaar, bij familiefeesten, of met (toenmalige) liefdes. Later speelden onze kinderen ook pinpong op de tafel tijdens familiefeesten en logeerpartijen. Het werd hun huis. De plek van een gastvrije opa en oma, met een tuin, natuur, een zwembad en een skelter in de buurt.

In diezelfde kelder vierden we als dochters 2 grote feesten. De feesten hadden de juiste vibraties en dat kwam mede door het huis. Iedereen bleef slapen, de kelder lag vol met mensen. En natuurlijk door mijn ouders die ons de volledige vrijheid gaven en het vertrouwen om te feesten in dat huis. Het huis werd een plek waar jonge mensen graag kwamen. Onze vrienden en later onze kinderen.

Het huis werd ook een dankbare galerie, voor beeldjes, voor de vele schilderijen van mijn zus, de kunstenaar en voor de kunst die mijn ouders vergaarden in hun leven. Zo hangt in de woonkamer een schilderij dat mijn moeder mijn vader gaf zo rond zijn 65e verjaardag. Het was haar laatste grote cadeau aan hem. Het is een schilderij van een pianiste in een klassiek rode jurk, die samen met een cellist in smoking muziek maakt, geschilderd door Annemarie de Groot. Het is helemaal niet zo’n geweldig schilderij, maar het verbeeldt de liefde tussen mijn ouders en is me daarom dierbaar.

Natuurlijk speelt mijn leven zich al jaren elders af. Natuurlijk weet ik me gelukkig in mijn eigen huis.

Het huis zal over niet al te lange tijd onteigend worden door de dood. Het zal zijn ziel gaan missen. Het zal ontzield worden. Het huis zal voor altijd verbonden zijn aan mijn vader. Aan zijn leven en zijn kracht. Telkens als ik er kom, en dat is vaak in verband met de ziekte van mijn vader, besef ik dat het huis aan mij kleeft als een goede vriend .

Vliegen

budapestIn ons kostbare leven reizen we graag. Reizen breekt iets open, nieuwsgierigheid, verwondering, een wereldbeeld dat vast zat. Reizen brengt ons over de oceaan, naar de andere kant van de wereld. Bijna alle wetenschappers die zich er in verdiept hebben, zijn  het er over eens dat de klimaatverandering vooral wordt veroorzaakt door de mens.  Opwarming van de aarde is niet meer te stoppen, maar we kunnen wel wereldwijd minders CO2 gaan uitstoten. Vliegen is een van de meest vervuilende manieren om te reizen en vooral  verre reizen hakken er in. Ik was me daar bewust van toen we ons stedentripje naar Boedapest  boekten. Een keuze waaraan ook ethische bezwaren kleefden….

Hoeveel CO2 had ik op mijn voetprint staan?  Het werd in mijn leven mijn 9e vlucht telde ik. Allemaal korte reisjes en een hele lange…De 17e vliegreis als ik de terugreizen mee telde. En ik liet de computer rekenen en las:

De totale uitstoot van jouw stedentrip in Boedapest met 2 personen voor 3 nachten is 170 kg CO2.

Ter vergelijking: de uitstoot voor het jaarlijkse energiegebruik (gas en stroom) van een gemiddeld huishouden is 4.160 kg CO2.

Ongeveer een week geleden had ik gelezen in de krant hoe het vliegen ons beeld van het reizen had veranderd. Volgens de schrijver van het stukje hadden we het echte reizen verleerd. De boot, de trein, de fiets, de bus,  het lopen, de moeite die een reis kon kosten. Het reizen was te gemakkelijk geworden. Te vanzelfsprekend.  Een reis boeken gaat inderdaad gemakkelijk, we checken in en zijn op de plaats van bestemming.

Nu was reizen per trein of bus voor ons geen optie want wij hadden niet veel tijd en dus compenseerden we ons schuldgevoel:  met bewust eten, duurzaam vervoer naar ons werk en duurzaam vervoer in de stad, zo compenseerde we onze CO2 uitstoot… En natuurlijk verstopten we ons achter een verlangen naar een leuk reisje. Zo gingen we 4 dagen onze 25 jarige liefde vieren in Boedapest en ja, we gingen met het vliegtuig.

Licht gespannen vertrokken we vroeg in de ochtend, richting  vliegveld. We vlogen twee uur en landden. We zaten nog een half uur in een bus naar het centrum van de stad en kwamen daar aan volgens plan. Recht tegenover ons appartement stapten we uit, samen met een kudde jonge mensen met rolkoffertjes. Ook deze  mensen gingen net als ons de stad verkennen. Net als ons hadden ze gekozen voor een goedkoop vliegticket, een stedentrip naar een (goedkope) stad, waar veel te zien en te verkennen viel.. Wij brachten onze koffertjes naar het apartement en toen kon ons echte reisje beginnen.

Ik observeerde het vliegtuig gedurende de vlucht. En de mensen om me heen. Het personeel oogde ongelukkig. Het vliegtuig oogde als een koekblikje. De stoelen toonden wat versleten en armoedig. We zaten tussen bijna alleen maar jonge mensen, studenten, jongeren en twee andere 50 plussers. Ik voelde me schuldig. Niet alleen door de klimaat berichten. Niet alleen door de  milieubelasting. Ook door de keuze van Ryanair. Daar kwam mijn angst nog bij. Dat zelfde weekend stortten er 2 vliegtuigen neer. Ik las het vlak voordat we onze vlucht naar huis terug namen. Had ik beter niet kunnen doen. Ik was pas weer rustig toen we met beide benen op de grond stonden.

Mijn zoon vertrekt op 1 april op de fiets naar de Kaukasus.  En reist met het vliegtuig terug. Hij halveert daarmee zijn CO2 uitstoot. Een bewuste keus? Enigszins. Hij gaat echt op reis.

Ik sluit af met een gedicht over Boedapest ter ere van de komende Boekenweek: reizen, ervaren…..en dan schrijven over een mooie ontdekkingstocht met schuldgevoel.

Of lezen, ook een vorm van reizen, ervaren en ontdekken, maar dan zonder schuldgevoel, schoon op reis, thuis op de bank.

Budapest,

 

Hoe zal ik me bewegen in deze stad, waar de kleuren zo zacht zijn. Langs onschuldige straten en gebouwen stroomt het water van de Donau grijsbruin. De zandkleurige huizen staan in onverslaanbaar daglicht, in een taal die ik niet spreek. Zo ben ik de vreemdeling die dwaalt over de bruggen, mijn ankers op het water dat steeds terugkeert langs de gebouwen in kleuren die zo zacht zijn. Zo hoopvol.

Hoe zal ik me bewegen in deze stad met patronen, hekwerk en ornamenten. Waar de kleuren zo zacht zijn. Zo ben ik de toerist die alle rijkdom omarmt,  de geschiedenis slikt, die dwaalt langs gebouwen. En onder de bruggen -mijn ankers over het water – dat steeds terugkeert, stroomt het water van de Donau, bloedrood langs huizen in kleuren die zo zacht zijn, zo geel en zo licht.

 

Wilma Eleveld

 

Hoopvol

Hoe vaak had ik deze weg al niet gelopen. Hoe groot was mijn ergernis als ik in de armoedige straat het straatvuil zag op de grond voor de Turkse supermarkt en de ontelbare blikjes en plastic zakken op mijn weg van en naar mijn huis. Soms pakte ik ze op, maar vaker liet ik ze achter me. Vandaag was het licht op mijn weg anders. Ik keek daardoor anders en zag vooral de sneeuwklokjes, de krokusjes en de knoppen in de tuinen. Ik hoorde een merel zingen. Daar was ineens de lente. Het nieuwe geluid. Misschien wat vroeg, maar ze was er. Zij kietelde mijn energie. Zij daagde mij uit. En tintelde onder mijn voeten.

Die vertraagden toen ik de straat overstak. Omdat de weg iets om hoog liep kreeg het schouwspel aan het einde iets onwerkelijks en steeg als een decor boven mijn laan, het gouden zonlicht vermengd met rood, oranje en een zacht broeierig licht. Het vervulde me met verbazing. Ik voelde een oneindig vertrouwen in mij op laaien. Vertrouwen in mijn toekomst, in mijn kinderen en vertrouwen in de wereld. Vertrouwen in de schoonheid van het leven.

In de maand voorafgaand aan deze ervaring was ik somber gestemd. Het klimaat, de berichten hierover in de krant, de donkere en regenachtige januarimaand, mijn strubbelingen op mijn werk, en een somber gevoel over de wereld met al zijn pathos had me in zijn greep. De onverwachte dood van een vriend. De vreemde, wat pessimistische stemming bracht eerder wantrouwen dan vertrouwen.

Vertrouwen is een waarde die mijns inziens in ons leven en in onze samenleving te vaak een marginale rol speelt. We zijn bang, maken ons zorgen en denken voortdurend dat er gevaren spelen. We verliezen ons in fragmentarisch denken en verdrinken in de duizenden boodschappen en details die gedurende de gehele dag op ons afstormen. Er worden veel harde maatregelen getroffen om het vertrouwen de baas te blijven -vooral binnen zorg, welzijn en onderwijs- willen we het vertrouwen regelen. Deze regelkant doet vaak tekort en genereert nog vaker wantrouwen. En helpt de hoopvolle blik om zeep.

Ik las onlangs: Niets verwachten, alles hopen en aanpakken. Dat zou mijn levensmotto kunnen zijn. Vooral het aanpakken naar aanleiding van hoopvol gestemd zijn. Hoop is voor mij dan een onmisbaar ingrediënt om te kunnen leven.

Afgelopen weekend zag ik op het Groothoofd (daar waar drie rivieren samen komen op het eiland van Dordrecht) dat het water goud met blauw kleurde. Ik wilde het vastleggen maar dat lukte niet. Even later liep ik langs een brugwachtershuisje. Daarbinnen hingen 2000 kleurige bootjes, origami, door twee kunstenaar gevouwen. Ze kleurden goud, rood, roze, oranje en blauw en op het Japanse papier stonden afbeeldingen van kraanvogels en Japanse kersenbloesem. Deze afbeeldingen staan in Japan symbool voor hoop en vertrouwen De schoonheid van de plek, de bootjes, het werk, de aandacht die ik terug zag, de kleuren en de zon die scheen, het brugwachtershuisje dat weer een functie kreeg. Ik zag de boodschap van deze twee vrouwelijke kunstenaars als een school van de hoop.

Niet in elke traditie wordt de hoop omarmd of gestimuleerd. Voor de een maakt hoop het leven dragelijk. Voor een ander roept het verkeerde associaties op. Binnen het christendom is de hoop een deugd, dat wil zeggen een innerlijke houding die het fundamentele vertrouwen uitdrukt waarmee een mens of een gemeenschap de toekomst benadert.

Als we ernstig ziek worden hopen we op genezing. Als we dreigen ten onder te gaan hopen we op een wonder. Als we ten einde raad zijn, hopen we op betere tijden.

Hoop staat mijns inziens  haaks op verwachten, in tegenstelling tot wat vaak gedacht en gewild wordt… Vertrouwen gaat denk ik vooraf aan hoop en het gevolg van dat vertrouwen is een hoopvolle blik. Verwachtingen missen het mysterie terwijl hoop en vertrouwen juist het mysterie in zich dragen.

Ik relateer een hoopvolle toekomst aan het geloof dat er altijd een andere kant is van de medaille. Dat we elkaar kunnen ontmoeten op een kruispunt als er narigheid is. Ik pleit hierbij voor horizontaal en verticaal kijken. Deze manieren van kijken bieden samen zicht op het volledige plaatje.  In de wetenschap dat alles met alles samenhangt, kunnen we dan niet anders dan gaan voor een gezonde, duurzame en eerlijke koers in ons leven. Voor een hoopvolle toekomst. In de wetenschap dat we elkaar nodig hebben kunnen we niet zonder die horizontale blik, die verder kijkt dan alleen naar eigen behoeften. Deze manier van kijken met aandacht en lef maakt zichtbaar. Het ware leven zou doortrokken moeten zijn van hoop, van leven en van optimisme. Hoop is immers een reflectie van optimisme. Ik las een tekst die eigenlijk erg somber is, maar daar hoopvol bij past;

De groene ziel die leven zoekt

Daar waar alleen

Verschroeiende hitte is en troosteloosheid;

De vonk van vuur die zegt

Alles begint als ogenschijnlijk

alles verkoolt

Eugenio Montal

Vriendschap

Soms lukt het elkaar te vinden in een beslissend moment.
Er moet sprake zijn van een klik, een soort van connectie. Er is sprake van een contactpunt, dat op diverse lagen kan zitten. Er is sprake van liefde en soms ook haat en een soort van verliefdheid. Zo dient de meerlagige trouwe vriendschap zich aan. Zo weet ik dat een vriend een heuse vriend is geworden.

Is er een motto, een voorbeeld? De kleine zwart-wit fotootjes getuigden van mooie momenten met zijn vrienden. Mijn vader kende een levenslange vriendschap. In zijn geboortehuis leerde hij zijn hartsvriend al kennen. Ze sprongen samen slootje, maakten vuurtjes, waren ondeugend en verkenden de weilanden om hun huis. Ze groeiden op naast elkaar in de zelfde straat. Zijn vriend was de zoon van de bakker, mijn vader de zoon van de bouwer. Ze konden lachen samen. Hadden hun eigen taal. Waren levensgenieters en ontvluchten het huis waar ze opgroeiden samen.
Ze gingen samen in militaire dienst. Ze verloofden zich, trouwden en kregen kinderen. De gezinnen gingen samen op vakantie in de jaren 60.
Mijn vader werd bouwer, zijn vriend hoofd van de school.
En toen sloeg het noodlot toe. Zijn vriend kreeg MS. Op 50 jarige leeftijd zat hij in een rolstoel. Mijn vader bleef een trouwe vriend. De vriendschap behield iets ongecompliceerds. Er werd veel gelachen. Soms gekaart, soms gedronken, soms gepraat. Er was nog steeds een eigen taal en hun echtgenotes bogen mee met de vriendschap. Samen gingen ze elk jaar naar een aangepast zomerhuisje. Mijn vader duwde de rolstoel en organiseerde de excursies. Ze bleven elkaar trouw ontmoeten totdat de vriend ongeveer 6 jaar geleden overleed. Nog steeds bezoekt mijn vader zijn echtgenote en leeft mee met zijn kinderen.

Meester Toshiro Kanamori is een leraar uit Japan. Hij hanteert een bijzondere aanpak in de klassen waaraan hij les geeft. Hij leert de kinderen brieven schrijven aan elkaar waarin ze hun gevoelens verwoorden.
Zijn doel is kinderen te leren om samen gelukkig te zijn, door zowel hun eigen sterke kanten als die van hun vrienden te vergroten. Door de dingen die Kanamori zelf heeft meegemaakt, hij verloor twee kinderen, weet hij hoe waardevol het leven is.
Het gaat in de film over gelijkwaardigheid, elkaar vinden in iets. Verlies speelt een rol. Dat het leven geen garanties geeft. Geven en nemen en gunnen. Samen genieten, samenwerken, over samen doen, samen spelen. Eigenlijk zou ik iedereen zo’n geweldige levensles gunnen. Hoe wonderschoon is het als jij op 10-jarige leeftijd al weet hoe je vriendschap maakt.
Ik keek naar deze film van ongeveer 50 minuten uit 2006 die onlangs op mijn pad kwam. De levenslessen van een Japanse schoolmeester. Te bewonderen op Youtube:

https://www.youtube.com/watch?v=umOHxEy1qig\

Kent vriendschap een definitie of een moraal? Ik denk dat het een grote gunfactor kent. En geklaag en gemopper kan een vijand van vriendschap worden. Verraad lijkt me niet wenselijk. En vriendschap kun je leren…..

Woedend waren we, mijn tweelingzusje en ik. Onze vriendinnen hadden de ceinturen van onze nieuwe jassen gestolen. We hadden gerend en gerend om ze terug te krijgen en ze lieten ons gefrustreerd achter, want ze waren sneller dan wij. Teleurgesteld snelden we naar onze moeder. Je lost het zelf maar op zei ze. De ceintuur kregen we pas dagen later terug. Ik weet niet meer hoe.
Een jaar eerder hadden we bloed uitgewisseld. We prikten in elkaars vinger en mengden ons bloed, geïnspireerd door de boeken van Enid Blyton werden we bloedvrienden. Mijn zusje deed het met haar vriendinnetje en ik met de mijne, het was een intieme daad. We moeten een jaar of 8 geweest zijn. Een jaar later, na het incident met de ceintuur voelde ik me verraden door deze vriendinnetjes. Het verraad zette me aan het denken over vriendschap. Ik was te jong om te weten wat er niet precies klopte, maar er was een vaag ethisch besef.
Vele jaren later werd ik nog eens verraden. Verraden door een vriendin die het bed deelde met mijn toenmalige lief. Het was in de jaren 80 toen alles kon. Alhoewel ik mijn twijfels daar over had.

Welke vriend blijft en welke vriend gaat? Welke vriend kan een steun zijn, welke vriend juist een last als het er op aan komt….. Welke vriend kiest het hazenpad. In de vriendschap schuilt de ander en de vreemde. Soms is dat onuitstaanbaar. En soms maakt me dat onbekwaam als vriendin. In de vriendschap schuilt dan levensgroot mijn beperking.

In de vriendschap schuilt altijd de angst om te verliezen. Maar dat maakt de vriendschap ook aantrekkelijk. Het ongewisse, de vraag: ben ik in staat om te blijven, als het er op aankomt ben ik dan in staat of bereid om de ander op te vangen, te volgen of te zien? En is de ander dat dan ook….

Sommige vriendschappen zijn gebaat bij doen en bij lichtheid. In hun ongecompliceerdheid zijn ze onweerstaanbaar. Ik heb talloze lichte vriendschappen gekend, die mijn leven in en uit wandelden. Vrijblijvendheid, leukigheid en afstand, speelden een rol; bij die gratie kan soms een vriendschap bestaan.
Soms collegiaal, soms omdat het moest, soms ongewild en soms omdat ik van baan veranderde of van levensstijl.

Sommige vriendschappen zijn gebaat bij plagerij, debatten en discussies. En sommige vriendschappen zijn helaas gedoemd om te mislukken en eindigen met ruzie of bloeden dood. Omdat ze incompleet zijn. Of te gecompliceerd of omdat ze niet meegroeien, of omdat er sprake is van afgunst of kwaadsprekerij of omdat ze fungeren als decorstuk. Of omdat er sprake is van ongelijkwaardigheid of egocentrisme. In de vriendschap schuilt de beperking. De verrassing en de spiegel. De lach en de traan volgens vele smartlappen. En natuurlijk ook het onvermogen….

Ongeveer een jaar geleden werd ik uitgedaagd. Het moest er maar es van komen.
Deze blog over vriendschap. Misschien schuilt in het samen doen en het genieten: van lekker eten, van een film, een verrassend gesprek of een wandeling wel de meest haalbare vriendschap.
Telkens weer ontmoet ik mijn lieve trouwe vriendinnen van wie ik de meeste al meer dan 20 jaar ken… met die blik en die gedachten. Heel soms voel ik me terneergeslagen over de beperking van het contact, die zichtbaar kan worden in een ontmoeting maar meestal ben ik blij na waardevolle momenten, de etentjes, de wandelingen, de gesprekken die ik heb met mijn vriendinnen. Zij vormen een deel van de sjeu van het leven. Laten we toasten op de vriendschap deze maand.

Skyspace

Niet hoe de wereld is, is het mystieke, maar dat zij is.

(Ludwig Wittgenstein)

 Elke zondagochtend zagen wij als gezin hoe een optocht van auto’s het gras kapot reed onder de hoge beuken tegenover ons huis. Een licht gevoel van nijd kon me overvallen, wanneer ik als puber op zondagochtend vanuit mijn slaapkamerraam deze kerkgangers beschouwde, die doelbewust uit hun auto’s leken te stappen en de kerkdienst bezochten aan het einde van de laan waar ik woonde. Het pad naar de mooie Nederlands Hervormde Stefanuskerk met de puntige toren die bekroond werd met een haantje, liep licht omhoog, waardoor de kerk majestueus uittorende boven de mensen die hem bezochten. Soms vroeg ik me als toeschouwer af of al die mensen werkelijk in God geloofden en daar een beter mens door werden. Ik voelde ook afgunst. Dat ze hun religie omarmden en dat die antwoord gaf op al hun vragen, de fundamentele vragen waar ik ook mee worstelde, als puber en later als adolescent. Dat ze regelmatig samen kwamen op een plek, waar ze wellicht gezamenlijk hun gedachten konden ordenen onder toeziend oog van een hogere macht. Mij leek dat toen wel wat.

Op die mooie kerk hadden we het beste uitzicht als we de laan waar we woonden van de andere kant in reden. Zo werd hij ook gewaardeerd door onze ouders: als een prachtig gotisch bouwwerk uit de 14e-16e eeuw. Niet als een huis van God, waar mensen antwoorden leken te vinden op hun vragen, maar als een sluitstuk van onze rustieke laan waar wij goed zicht op hadden.

Er schijnt bij jonge mensen een grote behoefte te zijn aan een collectief verhaal, dat verbindt en antwoorden kan bieden op existentiële vragen. In alle verscheidenheid en drukte die we tegenwoordig tegenkomen in de wereld, worden we geconfronteerd met onszelf en met de ander. Dat roept vragen op. Hoe verhouden we ons tot elkaar? Hoe verhouden we ons tot onze kwetsbaarheid, tot onze moedeloosheid ten aanzien van al die verscheidenheid en drukte die op ons af komt? Mijn verlangen naar een remedie om die wereld werkelijk te kunnen aanschouwen en te beleven, doet me graven in een beperkt religieus verleden en zoeken naar een oriëntatiekader.

Ik reken mezelf tot de generatie die meende het bestaan te kunnen doorgronden, de generatie met ouders die vruchten plukten van de enorme groei van de laatste decennia, die ook economische malaise kenden, de generatie die opgroeide met weten, kennis, vanzelfsprekendheden en hedonisme en ook met zoeken, met vragen, met egocentrisme en materialisme en met een grote existentiële angst voor de dood, voor het “nog niet genoeg”. De generatie na mijn ouders – die al waren begonnen met afscheid nemen van belangrijke christelijke waarden en tradities – verbrak in de jaren zeventig en tachtig voorgoed de banden met de kerk en met de tradities die eeuwenlang een bron van troost, zin en betekenis hadden geboden tegenover kwetsbaarheid en vragen en tegenover de eindigheid van het leven.

De Stefanuskerk wordt inmiddels niet meer bezocht door kerkgangers, ontdekte ik onlangs, maar door kunstminnende mensen tijdens concerten of tijdens Het Feest van de Geest, een happening die elk jaar in mei op meerdere plekken in Nederland georganiseerd wordt. Kerken worden dan een plek waar kunstenaars hun werk laten zien rond een thema. In zo’n kerk kan kunst betekenis krijgen door mensen een gezamenlijke ervaring te bieden en het gekozen (spirituele) thema van dat jaar verbeeld te zien. Er is zoveel lijden in deze wereld dat een dergelijk houvast gewenst lijkt. Kunst toont vaak de schoonheid van onze beperkingen en onvermogen, en de rauwheid ervan.

Door de tentoonstelling “Stage of being” in museum Voorlinden in Wassenaar, die ik bezocht, werd dat bevestigd. De presentatie in Voorlinden start met een imposant schilderij van Robert Zandvliet. Het schilderij lijkt een menselijk silhouet te tonen in een gelaagd landschap. In het schilderij zie ik een eenzame mens, maar ook twee figuren die zich tot elkaar verhouden….twee gezichten? Misschien is dat de essentie van onze zoektocht, dacht ik, de constatering dat de mens die onontkoombaar alleen is, de optimale verhouding tot de ander zoekt en deze maar al te vaak niet kan vinden, de zoektocht naar onze relatie tot de wereld. Ik las in de introductietekst van de expositie: “Het wezen van de kunst is misschien wel het bezweren van de existentiële menselijke angst. Kunst kan de mens een spiegel voorhouden, soms rechtstreeks, rauw en confronterend. Soms indirect, subtiel verpakt ons aanzetten tot nadenken over wie we zijn en wie we zijn in onze relatie tot anderen. De vragen: Waar komen we vandaan? Wat doen we hier en waar gaan we naartoe?”

Sommige beelden waren overweldigend. Ik had me even afgezonderd om die beelden te verwerken. Zo was ik – onbewust – beland bij de zogenaamde highlights van het museum. Het meeste indruk maakte op mij Skyspace. Speciaal voor Museum Voorlinden ontwierp James Turrell deze ruimte met een vierkant gat in het dak, waardoor je recht naar boven kijkt, naar de lucht, the sky… Ik ging er zitten op de houten bankjes rondom. Aanvankelijk met gesloten ogen. Maar het vierkant gat in het dak trok me uit mijn mijmering. Het hout contrasteerde met het blauw van de lucht. Het vierkant bood rust aan de ruimte en bood zicht op buiten en de steeds veranderende hemel. Dat alles omvattende gewelf dat normaliter altijd vanzelfsprekend aanwezig was, was nu ingekaderd. Het besloten moment bood tijd, buiten de tijd om.

Samen met nog enkele mensen zat ik daar en door de gedeelde ervaring ervoer ik een sterke verbondenheid. We keken allemaal naar boven, in de stilte, naar de omlijste lucht, die opeens bijzonder was, licht en helder. Ik voelde me door het gat gezogen en even, terwijl ik mijn ogen sloot, leek het of ik door de ruimte zweefde, het eindeloze blauwwit in. Het was een ervaring die me zomaar overkwam. En later, weer terug in het intieme, mooie museum, moest ik bijkomen en vooral weer terug komen in een andere tijd, een tijd die realistisch was, waarin ik mezelf de vraag stelde: Hoe een regenbui deze ervaring had kunnen veranderen, en of er dan een luik voor het gat zou verschijnen?

Betekenis zoeken in dagelijkse dingen is van alle tijden. We zoeken houvast in rituelen, in terugkerende momenten van verbondenheid, die we overigens zelf kunnen creëren. Dat we op zoek gaan naar tegenwicht, in deze hectische wereld, is niet zo gek. Dat ik blij kan zijn met mijn eerste kopje koffie op een vrije dag, dat ik ontroerd kan zijn door het licht van de zon dat over de muur sprankelt in mijn woonkamer, dat ik geniet van de geur in het bos na een regenbui, dat ik houd van de roman, die zo knap geschreven is dat hij mij helemaal “opneemt”, dat de vragen soms antwoorden bieden waar ik ze niet verwacht, lijkt amper genoeg.

We zoeken een zinvolle dagbesteding en vinden voldoening in (vrijwilligers)werk wat er toe doet, in moeilijke klussen die erkenning bieden – waar we niet altijd ‘zin’ in hebben. We verliezen ons soms in teveel en vinden dan ontspanning in een vrijetijdsbesteding: sport, wandelen in de natuur, yoga op een matje, meditatie op een kussen, gebed op een kleedje of een bankje, koken in groepsverband, knutselen, klussen aan ons huis. We zoeken voldoening in het creëren: zingen, fotograferen, muziek maken, bakken en schilderen. We zoeken afleiding in sociale media, in de beeldendrukte op het net, in informatie die in grote stromen op ons af komt, in onze selfies, in de verheerlijking van ons leven. “Het lijkt een merkwaardig verschijnsel dat de zinsvraag zo onuitroeibaar opspeelt in onze geseculariseerde wereld. De dreigende zinloosheid van het leven sijpelt door de kieren van het zelfgenoegzame leven”, zegt Dirk de Wachter.[1] De moderne mens zoekt tevergeefs een soelaas voor zijn menselijk tekort en zijn onvermogen om dat tekort te accepteren, lijkt de kern van zijn boodschap. We zoeken houvast en vallen om.

Om ons te oriënteren op existentiële vragen, zegt Taylor[2], hebben we oriëntatiekaders nodig. Taylor heeft het over “visies van het goede.” Cultureel gewortelde beelden van een goed – rechtvaardig, waardig vervuld of zinvol- leven: zij kunnen de toetssteen vormen voor ons handelen. Volgens Taylor heeft de spiritualiteit van vandaag de dag iets te maken met streven naar of oriëntatie op het ultieme goede. In het boek van Taylor lees ik een citaat van Vaclav Havel, die terwijl hij in de gevangenis zit, een moment van openbaring beschrijft, waarin hij een gevoel van verzoening ervaart, een “duizelingwekkende gewaarwording.“(…)Onder ogen zien wat onder ogen moet worden gezien, hoe ik de vreugde ervaar over een ultiem in harmonie zijn met de wereld, met mezelf, met het moment. En dat ik kan leven met het onzichtbare, dat erachter ligt en dat betekenis heeft, maar dat we niet of vaag kunnen benoemen (…).”

Zijn gevoel van verzoening, kennelijk opgeroepen door een langdurige opsluiting, waarbij er nauwelijks impulsen waren en voldoende stilte en ruimte voor reflectie, roept iets van tijdloosheid op. Voortbordurend op deze ervaring van Havel, herken ik een moment van “volledig ervaren”. Een ervaring van tijdloosheid kan immers worden ingegeven door stilte. We ervaren iets volledig als onze zintuigen allemaal aan staan, als we aanwezig zijn. Het volledig ervaren roept dan bijna vanzelfsprekend het lastig benoembare op. Zo’n ervaring kan vernieuwing bieden, verwondering en vragen oproepen.

Om zicht te krijgen en te houden op de zin van die mens van vlees en bloed met al zijn dromen, zijn angsten, zijn verlangens en teleurstellingen, moeten we misschien op zoek naar een nieuwe vorm van gemeenschap waar we elkaar de hand kunnen reiken. Het zou wel eens één van onze urgentste doelen kunnen zijn: ons te leren verbinden aan de menselijkheid en die menselijkheid te leren zien, want al het menselijke om ons heen vraagt vrijwel dagelijks om gezien te worden. De Wachter, die zich baseert op Levinas, verwoordt dit als volgt:“En daarbij mogen we niet vergeten om te zien naar De Ander. De Ander vertoont mijn schijnbare gemoedsrust en deze lastigheid zet mij aan tot antwoord. In die verantwoording verschijnt de zin”.

Ik leer mijn studenten op de opleiding Sociaal Werk, die mensen tegen komen die in al hun kwetsbaarheid gedesoriënteerd zijn, het belang van verbinding. Ik kan constateren dat het noodzakelijk is om verbinding te zoeken en om dat zo te doen, dat ze leren omgaan met kwetsbare mensen en met zichzelf als een net zo kwetsbaar mens. Dat ze daarmee misschien een tevreden verhouding leren te vinden tot de kwetsbaarheid van het bestaan. In deze wens constateer ik evenzo dat we “onhandige modderaars” zijn. We zullen moeten leren leven met onze eigen beperking en met die van de ander.

In mijn zoektocht naar zin ben ik mezelf – voorzichtig – een spiritueel humanist gaan noemen. Iemand die gelooft in de menselijkheid en zoekt naar ‘het goede’ in zijn reacties op de wereld. Een mens die de mogelijkheid vindt en zoekt om te ontsnappen aan het dagelijkse door vertraagde tijd te vinden in kunst, in stilte en in natuur. Een mens die verwondering en verbinding vindt in betekenisvolle momenten, in het licht van het ‘grootste’ geheel. Een mens met een bescheiden vraag, in navolging van Montaigne, de eerste denker die zichzelf in zijn essays als onderwerp nam, en het ooit zei: “Wat weet ik?”

[1] De wereld van de Wachter door Dirk de Wachter (2016)

[2] Een seculiere tijd: geloof en ongeloof in de wereld van nu door Charles Taylor, Rotterdam (2009)

Vergankelijk

Elk blad valt anders. In een niet te voorzeggen tel.

God, het is herfst, ze komen vroeg of laat

dus allemaal aan bod. Maar welke het eerst en hoe?

Doet dat ertoe, bijvoorbeeld voor de bomen zelf?

Nu de temperatuur zakt, word ik overvallen door een verlangen naar oktober, de maand waarin ik een jaar ouder word en het definitieve afscheid van een lange zomer zijn intrede doet. De maand waarin de bomen kleuren, de dagen vochtig geuren en de bladeren vallen en waarin ik me van oudsher graag wentel in herinneringen en trage gedachten over het heden of verleden. Ik lees  in de krant een versje (Oktoberversje)  gemaakt door Désanne van Brederode, hierboven de eerste strofe. Mijn gedachten over die daadwerkelijke herfst worden ingegeven door deze woorden.

De (jonge) mensen die ik spreek, via mijn kinderen of mijn werk, confronteren me voortdurend en laten me stil staan bij het pad dat wordt bewandeld, dat afbuigt, als je er niet op bedacht bent, dat daalt, klimt of kronkelt langs de plekken die we vergeten of willen vergeten, langs de schoonheid die verzwakt, of verkleurt, langs de plekken die we bewaren of koesteren, waarna we het pad vervolgen voor we er vat op krijgen, dat stemt melancholisch.

Op een symposium vorige week ontmoette ik een vakantievriendje van mijn zus, van 40 jaar geleden, die me diezelfde nacht wakker laat liggen. Wie was ik toen en wie ben ik nu? Welke keuzes maakte ik? Wat heb ik geleerd en wat heb ik nog te leren? En dan is er het ophangen van de foto. Het lijkt een daad van bevestiging. Ik hang hem aan de muur in mijn woonkamer. De kleine zwart-witte foto van mijn moeder, die deze dagen steeds weer mij naar zich toe trekt, tot ik hem even in mijn handen neem en er naar blijf kijken totdat mijn ogen pijn doen. In haar witte verpleegstersuniform, zit ze op een krukje ergens buiten. Ze oogt jong, mooi en sterk en kijkt vragend de camera in, haar mond in beweging, alsof ze iets wil zeggen. Achter haar schijnt het licht door de bomen, die niet helemaal kaal zijn en ook niet dicht bebladerd. Het zal lente zijn, vermoedelijk, want haar armen lijken gebruind in de korte mouwtjes van haar jurk. Haar smalle taille wordt geaccentueerd door de jurk en ik herken in haar ranke polsen die leunen op het bankje, die van me zelf. Het is een hoopvolle foto en hij roept vragen op. Wie neemt de foto? Met wie was ze daar. Kende ze mijn vader al? Wat maakte haar daar zo gelukkig? Wie was mijn moeder toen?

Ik weet niet wie ze was, ik weet niet meer wie ze was voor ze werd wie ze nu is, ik weet niet meer wie ze nu is. Ik vraag me af of ik haar ooit heb gekend. De foto troost me. Dat het leven haar heeft toegelachen, dat ze toen niet wist hoe haar blad zou vallen. Dat ze mooier was, dan ze zelf wist en dat ik haar leer kennen door haar in te vullen.

Mijn moeder is dement. Haar ziekte nadert een eindpunt. Ze heeft al meer dan 10 jaar Alzheimer. Haar blik is leeg. Haar handen zijn gerimpeld en gevlekt. Haar buik is dik en met een goedlachs ingevallen kindergezichtje met een lege blik pakt ze mijn hand als ik aan haar denk.

En dat er kracht was, voor alle broosheid, op het pad dat er al lag, dat doet er toe.

 

Tussentijd

Het was hoogzomer. Een snikhete julidag.
We hadden een goed gesprek, mijn zoon en ik. Alles leek te duiden op tussentijd. We hadden het allebei erg druk gehad. Hij zou de volgende dag de laatste handelingen aan zijn bachelor scriptie leggen en ik had nog een weekje te gaan voor mijn vakantie begon.
Nadat we in de drukke binnenstad ons een weg hadden gebaand met de metro en de stoffige en overvolle Schiedamseweg achter ons hadden gelaten, waar mijn zoon sinds kort (in hartje Delfshaven in Rotterdam) een kamer had gevonden, ploften we neer aan het mooie grachtje in het oude Delfshaven, waar we heerlijk aten. Op een ponton in het water onder de parasols was het goed toeven. Een oase van rust. We dronken op ons in het zicht zijnde tussentijd.

Mijn zoon vertelde me waar hij mee bezig was. Hij was net verhuisd van Wageningen naar Rotterdam en zou komend jaar aan zijn tussenjaar beginnen, dat vol zat met activiteiten als voorbereiding op zijn master. Hij was zichzelf aan het zoeken en vinden op alle fronten.
Ik werd teruggeworpen in de tijd door zijn verhalen. Mijn eigen volwassenwording werd onderwerp van gesprek. De sporen die ik in Rotterdam had liggen en mijn zoektocht naar mezelf als een soort van overgang naar mijn werkelijke leven. Een tussentijd die ik nodig had om dat werkelijke leven, met de echte klok aan te kunnen. Die tussentijd stond in het teken van onderzoek, kwetsbaarheid en een vooral zoekende houding.

Tussentijd. Het was een titel van een hoofdstuk in Swing time, van Zadie Smith. Een prachtige roman over de volwassenwording van twee zwarte meisjes in een arme wijk in Londen.
Ik was al enkele weken eerder teruggeworpen in die tussentijd, toen ik na 20 jaar twee oud-collega’s opzocht die mij hadden opgespoord via internet. Zij waren mijn eerste echte collega’s tijdens mijn eerste echte baan in de psychiatrie, die ik aanvaardde toen ik een jaar of 23 was. Tijdens de lunch die we gezamenlijk nuttigden moesten we 22 jaar overbruggen.  Dat kon eigenlijk niet. En toch ook weer wel. Ik had ze voor het laatst gezien bij de geboorte van mijn zoon.  De overgangen die een mens maakt in een leven zijn talrijk. Vaak maken we ze niet zo bewust. We staan op en starten de dag, we nemen drempels, waden door rivieren, we vergissen ons en keren terug of slaan iets over of slaan af. We stappen in een trein of missen hem net of stappen juist uit de trein of kiezen een vliegtuig.
Ik vond het  interessant om mijn eigen ontwikkeling onder ogen te zien en voelde me tevreden over de reis die ik gemaakt had en over de vrouw die daar aan tafel zat.
Mijn letterlijke overgang was een periode waarin ik mezelf moest herijken, die gepaard ging met nogal wat opvliegers en stemmingswisselingen en onzekerheden.  Als je door de overgang bent vind je een vernieuwde versie van je zelf, las ik ergens. Sommige vrouwen noemen het de beste tijd van hun leven.  Ik geloof dat  tussentijd een tijd van vrijheid en hervinden kan zijn. Misschien zoek ik dat, want wanneer is een mens eigenlijk echt vrij om te doen wat hij wil? Om te vinden wat hij wil?
Ik ga vanaf november een dag minder werken. Mijn huis opruimen, ontspullen, onthullen, tijd voor reflectie op een volgende stap. Hervinden. Tussentijd vinden.
Vakantie kan ook tussentijd zijn. Heerlijk. Het hoofd leeg maken en genieten van zintuiglijke ervaringen. Lezen. Broodnodig, die tussentijd!